Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






MAITREYA, DE KOMENDE BOEDDHA

Klik naar de volgende bijdragen:

Pagina 2:
Het Gandhara-tijdperk;
Tao-An (of Daoan),
eerste vereerder van Maitreya in China;
Maitreya in de Ksitigarbha Soetra;
Maitreya in Korea;
Maitreya in Japan;
De dikke Boeddha.






De vedisch-hinduïstische geschiedschrijving

De naam Maitreya, als een eigennaam, komt verder voor in het werk de Bhāgavata Purāna (ook wel de Srimād Bhāgavatam, een werk uit het hinduïsme) waarin hij, in zo'n bekende mix van waarheid en legende, de incarnatie van het rode wilde zwijn (in het oerbos) verklaart.
Een paar eeuwen na Boeddha's over de aarde gaan verschijnt deze naam in een religieus-folkloristisch toneelstuk. Shúdraka (u als in Borobudur), een auteur en hoofdman-koning uit de bevolkingsgroep de Ksátriya die ergens tussen de 3de eeuw vc en de 5de eeuw nc leefde, was de auteur van het stuk Het Kleine Karretje van Klei. In dat stuk stelt hij een van de personen voor als Maitreya, een arme Brahmin die vriend is van een andere persoon met de naam Tsjaaroe-datta (Cārudatta). Het verhaal is verder van geen belang. Waar we wel belang aan zouden kunnen hechten is de vraag waarom Shúdraka, die devoot was van de hindugod Shiva die naam heeft geadopteerd. Eigenlijk weten we 't wel. Het is een retorische vraag.
De naam Maitreya, De Vriendelijke, is in het India van het verre verleden de naam van een "gemengde" varna of jati geweest. Zouden we die lijn volgen, dan zouden we mogen aannemen dat de komende Boeddha niet een specifieke persoon is, "de" Maitreya, maar eerder "een" Maitreya, een uit die groep. Daar kan tegen ingebracht worden dat er in het verleden geen bevolkingsgroep schijnt te zijn geweest die zich opstelde als een "uitverkoren volk" zoals dat in het jodendom en bepaalde christelijke groeperingen leeft. Daarentegen moet gezegd worden dat in het recente verleden van Thailand wel eens geopperd is dat Maitreya in dat land geboren zou worden, maar dat is toch meer "wishful thinking" geweest dan een min of meer gecanoniseerd verhaal.

Waar we zeker van mogen zijn is dat de naam Maitreya, als komend uit de bovengemelde "gemengde" bevolkingsgroep juist om die reden aantrekkelijk was voor de auteurs van de boeddhistische geschiedschrijving. Hier zien we immers behoorlijk vaak vermeld hoe Boeddha helemaal niets had, om het modieus uit te drukken, met indeling naar varna en jati. De Maitreyas waren niet te classificeren, en dat was fijn.



Sayagyi U Chit Tin, een Dharmaleraar uit Birma, heeft in de Pali-canon enige studie gedaan naar Bodhisattva Maitreya, die in het Pali Metteyya of Metteya heet.
Al in de voor-canonieke Pali-teksten, zegt hij, wordt gewag gemaakt van Ariya Maitreya, de Nobele Maitreya. Maar het is in een vijftal canonieke werken (1) dat de naam Maitreya in werkelijk boeddhistische context voorkomt.
In die context is Maitreya de vijfentwintigste Boeddha, en de vijfde die we binnen deze bekende wereld zullen kennen. Daarna breekt een ander tijdperk aan, is er een andere wereld.(2) In die canonieke werken wordt gezegd dat hij in een plaats met de naam Ketu-mati als mens geboren zal worden, en dat dit zal zijn onder het bewind van wereldheerser (chakkha-vatti) Samkha.

Al in die teksten is de bijnaam voor de Komende Boeddha Ájita hetgeen "de Onoverwinnelijke" betekent. Binnen alle boeddhistische tradities wordt er van uitgegaan dat Maitreya zich tot zijn Neerdalen op aarde bevindt in de hemelse sfeer die Tushita heet, en daar wordt hij Nath of Natha genoemd, Heer. De bewoners van Tushita worden dééva (deva) of déévata genoemd. Wanneer we daarom in de iconografie beelden tegenkomen die de naam Deva-natha dragen, hebben we hier niet te maken - zoals wel wordt aangenomen - met een afbeelding van Avalokiteshvara Bodhisattva, maar met Maitreya.

U (='Weledele heer') Chit Tin meldt een aantal teksten waarin, aan het eind van het discours, de schrijver de wens uitspreekt in het hemelse rijk van Maitreya wedergeboorte te vinden, om te zijner tijd samen met hem naar de aarde af te dalen om de correcte Dharma opnieuw te vestigen. Hij noemt in dat verband de Jataka (djaataka - Geboorteverhaal) over de Tien Bodhisattas, en hij noemt de Attha-sālini, eerw. Buddhaghosha's werk. Ook aan het eind van Buddhaghosa's Pad van Zuiverheid (Visuddhimagga) is zo'n wens opgenomen, maar onder andere de eerw. Sadda-tissa is er van uitgegaan dat dit een toevoeging is door een latere copiist.
U Chit Tin vermeldt ook nog de devotie die opeenvolgende Birmese koningen aan de dag legden naar Maitreya. Zo staat er op het tempel-terrein van Bagaan een unieke vijfkantige (in plaats van vierkante) pagoda, gebouwd in 1196, die een verwijzing is naar de huidige wereldcyclus van vijf Boeddhas met Maitreya als laatste.
Ook heeft een koning Kyawswa uit Birma ooit reparaties aan de Mahabodhi-tempel te Bodh Gaya laten uitvoeren in de wens verenigd te mogen worden met Maitreya.

Shakyamuni of Gáútama Boeddha heeft zich, volgen we de Pali-Geschriften, slechts een paar keer uitgesproken over de Komende Boeddha, onderandere als volgt:


Uttamo Metteyyo Ramo Pasenadi Kosala ca
Abhibhu Dighasoni ca Candani ca Subo Todeyyabrahmano
Nalagiri Palaleyyo bodhisatta anukkamena
Sambodhim labhanti anagata.

In de toekomst zullen (tien) Bodhisattas tot Volledig Ontwaken komen, en wel: de zeer eerwaarde (Ariya) Maitreya, (koning) Rama, (koning) Pasênadi van Kōsala, (de deva) Abhibhu, (de asura deva) Digha-soni, (de brahmaan) Cándani, (de jongeman) Subha, de brahmaan Tóddeya, (de olifant) Nala-giri, en (de olifant) Palaleya (Parilééjaka).


Dit vers staat aan het begin van een Birmese vertaling, de Anagata-vamsa.
Ook in de Cakkavatti sutta (DN 26), de Leerrede over de Universeel vorst, wordt gesproken over Metteya (Pali-versie) als de komende Boeddha op aarde onder wie een zeker vorst de universele zal zijn.

De Pali- of Theravāda-traditie gaat ervan uit dat er slechts een Boeddha per kalpa, aeon, is, in een onafgebroken rij, en aanvaardt niet de Mahāyana-opvatting dat er per kalpa ontelbare Boeddhas tegelijk zijn.







Fa-Hien's verslag over Maitreya
Het Gutenberg Project liet eind september 2006 nog eens weten dat James Legge's vertaling van Fa-Hien's Record of Buddhist Kingdoms inmiddels integraal online staat. Wie het wil lezen of wil downloaden gaat naar de site van het Project en zoekt onder de auteursnaam Legge. James Legge was een zendeling, en behandelde zijn onderwerp weliswaar met respect — zijn opmerking dat monniken monniken zijn, en geen priesters verdient eeuwige lof —, maar benadert een en ander niettemin vanuit religieus-culturele aannames, opvattingen die zo ingesleten zijn dat ze automatisch als universeel geldend worden verondersteld.
De Chinese monnik-pelgrim-vertaler Fa-Hien (begin 21ste eeuw wordt het geschreven als Faxian; spreek ongev.: faa zjèn) reisde tussen 399 en 414 naar India en meer westelijke streken. Hij was heel specifiek op zoek naar de vinaya, de Monniks- en Nonnencode. Zijn verslag zou de min of meer exacte data geven waarop boeddhisme China binnenkwam, maar Faxian blonk noch uit in rekenen, noch in geografie. Zijn verslag mag wat dat betreft niet als gezaghebbend worden beschouwd.
Legge's vertaling vertelt over de episode waarin Faxian aan de westoever van de Indus (of Oxus) is geraakt, in een gebied dat in Legge's vertaling Darada wordt genoemd, maar dat waarschijnlijk het huidige Dargai moet zijn geweest. In westelijke richting reizend arriveerde hij daar vanuit de regio tussen Gilgit in het noorden en Rondu, of zelfs Kargil in het zuiden. Na de noord-zuid stromende tak van de Indus te hebben overgestoken treft hij het gezelschapje monniken weer aan met wie hij soms samen reist, en soms ook niet. Aan die westover gezeten zitten ze waarschijnlijk eerder met het gezicht naar het noordoosten, naar noord-Tibet/zuidwest China, dan naar het zuidoosten, dat wil zeggen, naar Jammu en verder India in.
De Indus ontstaat in Tibet en stroomt zuid-noord naar de buurt van Gilgit. Van daaruit loopt een tak west-noordwestelijk totaan Chitral (niet op de gegeven doorklik te zien), en de hoofdstroom buigt tussen Gilgit en Rondu af naar het zuiden. Op deze manier lijkt de Indus te vorken, en is het zo mogelijk om als het ware drie Indussen over te steken: de zuid-noord lopende hoofdstroom vanaf het Tibetaanse hoogland tot aan Gilgit, de smallere naar het westen afbuigende vertakking tussen Gilgit en Chitral, en opnieuw de hoofdstroom die noord-zuid loopt tot aan de monding in het huidige Pakistan. Een reiziger die niet voorzien is van kaarten zou de indruk kunnen krijgen dat hier drie rivieren liggen: een brede zuid-noord stromende rivier, een smalle naar het noordwesten, en een andere brede die noord-zuid stroomt.
De tekst zegt:

"De monniken vroegen Faxian of het bekend was wanneer de Boeddha-Dharma voor het eerst (vanuit Serindia) naar het oosten (noord-Tibet, zuid-west China) reisde. Hij antwoordde, 'Toen ik het aan de mensen in die streken vroeg zeiden ze allemaal dat het (de Boeddha-Dharma) van generatie op generatie door hun vaders was doorgegeven, en dat, nadat het beeld van Maitreya Bodhisattva was opgericht, er srámans (thuisloze boeddhistische religieuzen) uit India waren geweest die de rivier overstaken (richting westelijker streken), en dat ze de soetras (leerredes) en de vinaya (klemtoon op vin) bij zich hadden.'
Nu werd het beeld iets langer dan 300 jaar na het nirvāna van Boeddha opgericht, hetgeen ongeveer tijdens de regering van (de Chinese) koning P'ing uit de Zhou-dynastie was (de dynastie regeerde tussen 1046 en 256vC). Overeenkomstig dit verslag kunnen we zeggen dat de verspreiding van onze grote Leer (richting oost) begon met (het installeren van) dit beeld. Ware er Maitreya niet geweest, de grote levensbeschouwelijke meester, die de opvolger is van de Sákya (Sakyamuni Boeddha), wie zou er dan voor gezorgd kunnen hebben dat de Leer zo wijd verspreid werd gepredikt, en hoe zouden de mensen uit deze grensstreken dan onze Dharma kennen!


Daarna trekt het gezelschap de vlakte tussen Kabul en Srinagar in, en belandt op een gegeven moment ook in Taxila, juist ten noorden van het huidige Islamabad.
Dit verslag van Faxian spreekt over koning P'ing die leefde tussen 750 en 719 vC. Hier vergiste Faxian zich dus, tenzij er twee P'ingen waren uit twee verschillende regeerperiodes. Over het jaar waarin Sakyamuni Boeddha geboren werd zal wel nooit meer duidelijkheid komen, maar doorgaans wordt toch gesproken over 550-460vc.
Faxian zegt impliciet ook dat het boeddhisme China niet rechtstreeks binnenkwam vanuit India zelf, maar vanuit westelijker streken, en (,maar dat zegt noch Faxian, noch Legge,) mogelijk zelfs vanuit de Bamiyan-vlakte in Afghanistan waar een van de grote Boeddhabeelden Maitreya zou moeten voorstellen - zegt een van de overleveringen.



Voetnoten:
(1) - Digha Nikáya III,7; - Maha-vamsa 62, 73; - Chula-vamsa 38, 68; - Milinda-panha 159; - Attha-sālini 415.

(2) - Het is dit leerstuk dat critici van het boeddhisme er toe heeft gebracht over de Boeddha-Dharma te spreken als een "eindtijds-filosofie." Die opvatting wordt vooral naar voren gebracht door diegenen die een lineaire (en daarna eeuwige) tijdslijn aanhouden, en niet een circulaire zoals de boeddhistische en hinduïstische.




Naar pagina 2:
• Het Gandhara-tijdperk
• Tao-An (of Daoan), eerste vereerder van Maitreya in China
• Maitreya in de Ksitigarbha Soetra
• Maitreya in Korea
• Maitreya in Japan
• De dikke Boeddha







Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme