DE BLOEMENKRANS SOETRA

Avatŕmsaka Soetra


Boek Drie


Samantabhadra Bodhisattva's meditatie en status





Het derde boek, De meditatie van Samanta-bhadra (Alomtegenwoordige Goedheid), begint zo:

"Bodhisattva Samantabhadra zat op een leeuwentroon gemaakt van een opeenhoping van bloemen.
Boeddha had hem doordrenkt met bovenredelijke krachten, en zo ging hij concentratie binnen. Deze concentratie wordt "het immanente lichaam van de onthuller van Zoheid" genoemd. En deze is in alle verlichtten."


Het Sanskriet (of Hybrid-Sanskriet)-origineel van deze Soetra is niet meer voorhanden, op een paar fragmenten na. Wanneer we het originele woord willen vinden voor bijvoorbeeld 'concentratie' in deze passage, kunnen we niet verder gaan dan gissen, en aannemen dat hier dharanī gestaan zou kunnen hebben. Die veronderstelling is gebaseerd op het feit dat hier sprake is van overdracht van bovenredelijke krachten.

Hoe dan ook, in dit derde boek wordt deze concentratie de ontstaansgrond van alle concentraties, visualiseringen en meditaties genoemd. Dat wordt nog eens bevestigd door de goedkeurende woorden van alle Boeddhas uit de hele mándala aan werelden in het in meditatie opgeroepen universum wanneer ze Samantabhadra prijzen en zeggen: "Goed! ... deze dharanī komt voort uit de oorspronkelijke gelofte van Vairocana Boeddha."

Veel latere tantrische geschriften zullen zeggen dat Samantabhadra de Sambhoga-kaya, het Vreugdevolle Resultaatslichaam van Boeddha is, maar dat staat nergens in de oorspronkelijke tekst. Dat is het probleem met de Commentaar-tradities waarin men zich liever richt naar commentaren, sub-commentaren, en sub-sub-commentaren dan naar de originele teksten.
Zie voor de mándala aan werelden boek twee, en voor Vairocana Boeddha boek een en het volgende boek zes.
Een dharanī is vaak niets anders dan een mantra, u welbekend, maar in verhevigde en uitgebreide vorm wordt in dharanī een grotere kracht verondersteld.


Op hetzelfde moment dat Samantabhadra zijn concentratie binnenging, en daar was, "verleenden alle Boeddhas uit de tien windrichtingen" hem hun volledige kennis. Dat wil zeggen, ze verhieven hem tot het stadium van Boeddhaschap.
Dat werd nog eens bevestigd door de handeling die deze meditatief opgeroepen Boeddhas daarop lieten volgen: ze raakten met hun rechterhand Samantabhadra's kruin aan. Dit, zo impliceert de tekst, is een vorm van transmissie van hun eigen grootheid aan deze Bodhisattva.
En om aan te geven dat we hier te maken hebben met een gebeuren dat cosmische dimensies heeft wordt er aan toegevoegd dat wat zich maar afspeelt in de centrale wereld van deze meditatie-mándala aan werelden, zich gelijktijdig precies zo afspeelt in alle andere werelden en landen in deze cosmische opeenhoping van werelden.

Een voorbeeld van de kruin aanraken heeft Reza(~) gefotografeerd in de Maya-grot no. 3 van Kizil (namen zoals Maya-grot of muzikanten-grot zijn bedacht door hedendaagse archeologen; als ze oorspronkelijk al een naam hadden zal het een andere zijn geweest). Op die grotschildering zien we hoe een Boeddha de hand op iemand's hoofd legt. Of het hier Sakyamuni Boeddha betreft die zijn zoon Ráhula, die later Arhat zou worden, de hand oplegt, of dat dit de hand is van de oerboeddha of het oerboeddhaschap Vairocana die de kruin van een bodhisattva aanraakt valt vanwege alle beschadigingen aan het stucwerk niet meer te bepalen. In ieder geval is dit een, maar overigens niet het enige, gebaar van abhisekha: in de vorm van een plengoffer oorspronkelijk de overdracht van regeringsmacht van vorst aan vorstenzoon, binnen het boeddhisme, in de vorm dus van de kruin aanraken, de verzekering dat de zo door Boeddha aangeraakte ook ooit Boeddha zal zijn.

Het is overigens niet in deze Avatámsaka Soetra dat we de rechtvaardiging zullen vinden voor wat inmiddels "Boeddhistische cosmologie" is gaan heten. We hebben hier te maken met in meditatie opgeroepen beelden.

Er wordt wel verondersteld dat de gewone mens die zich richt naar de Avatámsaka en andere Mahayana-soetras al te gemakkelijk een vorm van arrogantie kan ontwikkelen: allen hebben immers de bodhisattva-geloften opgenomen.
Die neiging tot arrogantie wordt in ieder van deze geschriften onderuit gehaald door er telkens op te wijzen dat er gradaties in bodhisattva-schap zijn, van kleine bee naar hoofdletter bee.

Gaan we verder met de beelden uit boek drie die ons inspiratie kunnen geven: de overige bodhisattvas in al die landen vonden voldoende inspiratie in het gebeuren, en dus voldoende kracht om zelf verder naar hetzelfde Boeddha-stadium te streven. Zo zag hun meditatieve geest "oceanische wolkenformaties aan bodhisattvas die als een stroom, een voor een, uit het paleis van de Tushita-hemel traden om op aarde geboren te worden als Boeddha ..."
Als dit geen uiting van groot terug-verlangen naar Boeddha's tijd is ... maar ook de vastberaden wil (adhisthāna*) om de Dharma te laten voortduren!

Het boek eindigt dan met een drietal vragen die de 'lagere' bodhisattvas stellen aan Samantabhadra:

"Hoe kan het [boeddha-]land [d.w.z. deze meditatie] gevestigd worden?
Hoe tonen de Boeddhas zich?
En hoe de wezens?"


Op dit punt aanbeland hebben de meditatoren, die zich de in boek Een aangekondigde visualiseringstechniek eigen hebben gemaakt, zich geďdentificeerd met het opgeroepen beeld. Van dan af vallen de verbeelder en het verbeelde samen.


[(~) Le Pinceau de Bouddha, Parijs 2002. (Controleer de teksten aan de hand van andere bronnen over Zijderouteboeddhisme en/of Boeddhalegenden.)

(*)Adhisthāna. Binnen de Mahayana wordt het woord verklaard als een vertrouwen in Boeddha, die vervolgens zijn kracht verleent aan allen die dit zoeken. Die laatsten kunnen die vastberaden wil dan aanwenden om verder te komen op het Pad, en om anderen bij te staan.
Dat de keuze voor het woord adhisthāna correct zou kunnen zijn bewijst wellicht het feit dat het een belangrijke rol speelt in Vairocana-abhisambodhi-tantra, een 6e-7e eeuwse tekst waarop boek zes nog verder zal ingaan.
In de engelstalige versie van die tantra, die de Boeddha's Dharma op een andere manier behandelt dan de hier voorliggende Avatámsaka Soetra, wordt adhisthāna vertaald met "miraculeuze genade (miraculous graces). In het japans wordt het ka-ji genoemd. Ka (= adhi) betekent dan "het doordringen van Boeddha's licht in het water van alle wezens," en ji (spreek: djie, = sthāna) is "de kracht van absorptie van Boeddha's licht, een kracht die dit water, het Hart van alle wezens, bezit."
Het is opmerkelijk dat dit concept van kaji overeen lijkt te komen met het samenstel jiriki-tariki zoals de Reine Land (shin of Jōdō) tradities dit hanteren, de Eigen kracht en de Ander Kracht van Boeddha die op elkaar inwerken. We moeten daarom de wortels van een dergelijke opvatting waarschijnlijk zoeken in de oudere religieuze filosofie van Japan, eerder dan in de indiase veda of upanishad. Bovendien is het van belang de nadruk te leggen op de component kracht in Eigen-/Ander-kracht. De Tibetaanse tradities benoemen dit onder het hoofdstuk Empowerment. Daarmee meent men wel kracht te ontvangen, maar het doet geen afbreuk aan het feit dat de cultivator vervolgens nog wel zelf die kracht moet gaan gebruiken bij wijsheidsontwikkeling.

Het citaat over adhisthāna wordt gegeven in de vertaling van de bovengenoemde tantra, bezorgd door A. Wayman en R. Tajima. (p.268)
Dit begrip komt ook voor in het zesentwintigste boek van de Avatámsaka, de Tien Stadia. Daar wordt het echter pranidhāna genoemd, en is het een van een extra vier Perfecties bovenop de standaardlijst van 6 Perfecties of paramitā. Boek 17 zal verder gaan op dit begrip.]




Het woord Bloemenkrans staat voor Perfecties die we kunnen behalen en dan als het ware aanbieden aan Boeddha die ons geleerd heeft wat die Perfecties zijn en hoe ze vergaard moeten worden.

Terug naar de startpagina

Naar het volgende boek

Een engelse vertaling werd uitgegeven door Shambala


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme