LANKĀVATĀRA SOETRA


De Afdaling op Lanka

Noten bij hoofdstuk 1-2



   
Toelichting bij tekst 2

De ontmoeting van Boeddha met de bewoners van Lanka is hier een ontmoeting met niet-menselijke wezens. Zowel Rāvana als Yakshas en de andere genoemden in de laatste bovenstaande zin zijn wezens die beschreven worden in de voor-boeddhistische geschriften van India. met name Yaksha worden daar beschreven als goden van of over het plantenrijk. Er wordt van uitgegaan dat de naam Lanka staat voor Sri Lanka, en "Lanka" werd dan gebruikt voordat Europese zeelieden en kolonisten de naam Ceylon zijn gaan gebruiken. Omdat Sri Lanka van oudsher een natie van landbouwers is of was, was de naam Yaksha daar zeer ingeburgerd.
Wat we dus zien is een scribent die zijn eigen moeizame gang als Dharmaleraar projecteert op Boeddha, en ons zo laat weten dat er aanvankelijk geen kip geïnteresseerd was in wat hij te zeggen had.

1. De eerste strofen. Leeuwebrul: Gezegd wordt dat iedere verlichte vlak na het Ontwaken een betekenisvolle uitspraak doet of een krachtig gebaar maakt dat niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Dit wordt een leeuwebrul genoemd. De Boeddha, in wie verlichting nooit afwezig is geweest, slaakt niettemin zo'n brul voordat hij een belangwekkende leerrede uitspreekt.

2. - De passage beginnend met "Heer van Lanka." "Ze veroorzaken een ommekeer": Letterlijk zou dit moeten luiden: "ze keren zich af." Deze volmaakte yogins keren zich af van onvolledige analyse over bestaan of niet-bestaan. Ze weten inmiddels beter. De discussie over bestaan versus niet-bestaan is uiteindelijk gebaseerd op een vers uit de Sutta Nipāta, de Attaka Vagga vers 786, waarin staat, "Voor de wijzen bestaat er geen vastgelegde leerstelling over bestaan of niet bestaan." Dit is een van de zinsneden die de monniken uit het Kleine Voertuig, de voorloper van het hedendaagse theravāda, uit het hoofd moesten leren wilden ze monnik genoemd willen worden.

De zinsneden over bestaan resp. niet-bestaan, of zijn resp. niet-zijn moeten bij de vertalers naar het chinees een gevoelige snaar hebben geraakt. In de vierde eeuw, begin vijfde eeuw, in de tijd waarin de monnik-vertalers Tao-an en Kumārajīva leefden, een tijd waarin de monniken nog zwoegden op concepten die ze wel uit de oude chinese filosofieën kenden, maar waarvan ze de boeddhistische context nog niet helemaal doorhadden, was er een denkrichting die wordt vertaald met "Het Oorspronkelijke Niets" (ben wu zong). Die school werd op een gegeven moment bekritiseerd door een monnik met de naam Shao. Hij zei — hier wordt de engelse versie herhaald van een anonieme essayist die in de tachtiger jaren van de twintigste eeuw onderzoek heeft gedaan: "The advocates of Original Nothingness align their sentiments on the side of wu [nietsheid] and then write their words of teaching to support that argument. They refute, to begin with, the notion of existence and say that you [spreek uit als jow; existence or being] was in fact wu [non-existence]. Even if one refuted the notion of non-existence it will nonetheless still be nonexistence. The original meaning of the Buddhist canons is that fei you [not being] is not really being, and that fei wu [not non-being] is not really non-being. Why must one insist on refuting the notion of being and say that "this being is not," or refute the notion of non-being and say that "this non-being is not"?
Zie voor nog een paar woorden over het onderwerp de paginas over Kumārajīva.


3. - Samāpatti: Het woord samāpatti komt in de vroege Pali-geschriften voor als "(ergens) aankomen", "bereiken". Het wordt gegeven in samenhang met kásina, letterlijk "plaats van cultiveren", "het geheel". Kásina-samāpatti is dan letterlijk "aankomen op de plaats waar gecultiveerd wordt", en staat in figuurlijke zin voor het in meditatie de blik gericht houden op dat ene voorwerp. Zo ook is er nirodha-samāpatti, de meditatieve geest gericht houden op "uitdoven" of nirvāna, phala-samāpatti, de meditatieve geest gericht houden op de vrucht van het cultiveren of mediteren, rūpa-samāpatti, de geest richten op het lichamelijke of vormhebbende, en meer specifiek op het mooie, en vimokkha samādhi samāpatti, de geest in samādhi (een generieke term voor meditatie) gericht houden op bevrijding.

De achtste-eeuwse ch'an-meester Han Shan, een Linchi of Rinzai-meester zegt in zijn voetnoten bij de Surángama soetra: Samathā is de meditatieve studie van alles als ledig of immaterieel, samāpatti is de meditatieve studie van alles als onwerkelijk, vluchtig of tijdelijk, en dhyāna is de meditatieve studie van het Midden dat beide omvat houdt.

De Ch'an-meester, de eerwaarde Sheng-yen zegt over dit begrip het volgende: [Nadat de oefening in concentratie-meditatie (samathā) succesvol is verlopen is er] samāpatti, hetgeen letterlijk "gelijk aankomen" betekent. Het is een staat waar bodhisattvas zich niet verwijderen van samathā en samādhi (zie hierboven), en toch nog steeds in interactie met de wereld zijn." In de laatste tekstgedeelten van de Lanka zullen we dan ook zien dat daar de Boeddha beschreven wordt als voortdurend in samāpatti zijnd: in voortdurende meditatie, maar niet afgewend van de wereld.

De betekenis van het woord samāpatti is dus doorheen de eeuwen flink veranderd. Hier gaan we er van uit dat meester Sheng-yen's interpretatie het begrip in de Lanka weergeeft, maar eigenlijk is dat ook maar "invullen".

4. - De passage beginnend met: "Ze houden er ideeën op na." In deze zin wordt het analyseren van het bestaande, zoals dat bijvoorbeeld in de Abhidharma gedaan wordt, van de hand gewezen. Alles is immers leeg van substantie en afhankelijk van voorwaarden en condities, waarom dan nog verder zoeken naar verklaringen? Tot zover zien we in deze tekst slechts een zekere detaillering in de opsommingen van meditatietechnieken.

5. - De zin waarin wordt gesproken over kwalificeren en het gekwalificeerde. Herlees hiervoor de aantekeningen over svabhāva (1,n.9) en 1,vers 42. Ten overvloede: zowel het kwalificeren, de mentale handeling van ergens een etiket op plakken, als dat waarop we menen een etiket te moeten plakken, d.w.z. de vormen die de wereld toont, zijn leeg van substantie en afhankelijk van voorwaarden en condities. Overdenk vooral het eerste deel van de zin, die over kwalificeren; het is geen voor de hand liggende filosofie, maar wel essentieel voor een totaal-begrip.

6. - Vijñānas. Hier staat het woord voor gewoon bewustzijn. Er zijn er zes en ze zijn synoniem aan de vijf zintuigen plus het denken als zesde. Daarbovenop komen nog twee niveaus: 1. een vijñāna - bewustzijn - dat deze zes omvat, overschouwt en aan de gang houdt, en 2. een bewustzijn, het Opslagbewustzijn, de Âlayavijñāna, soms, en zeker hier, ook genoemd de Tathāgatagarbha, de Schoot-waaruit-de-Boeddhas-Voortkomen - ook wel citta genoemd, dat voor velen in zichzelve al de verhevenste staat van oorspronkelijk bewustzijn is, dat echter alle andere omvat houdt of in zich bergt. Hier vinden we weer de Bloemenkrans (Avatámsaka) filosofie van onderandere meester Fazang waar een enkele wereld alle andere insluit. Het Opslagbewustzijn realiseren, werkelijk maken, is het streven van de mahāyana-boeddhist.

De door de auteur of auteurs van de Lanka bewonderde meester Âsanga (zie de introductie) beschrijft in het eerste hoofdstuk van zijn mahāyāna Samgraha (de samenvatting van het Grote Voertuig) de Âlayavijñāna met de volgende woorden: "Waarom onderwees Boeddha dat dit bewustzijn het Opslagbewustzijn is? Omdat de resultaten van de bezoedelde mentale staten van alle wezens er als resultaten in verborgen en opgeslagen liggen, en ook omdat dit bewustzijn als oorzaak ligt verborgen en opgeslagen in al die mentale staten. Verder nog wordt het 'Opslagbewustzijn' genoemd omdat alle wezens (mensen), daar ze hechten aan een beeld van 'zelfheid', zelf opgeslagen liggen binnen de grenzen van dit bewustzijn."

(Naar een vertaling uit het chinees door John Keenan.)

Met andere woorden, Âsanga beschreef hier de duivelskringloop waarin we ons bevinden, en waaruit we ons alleen maar kunnen bevrijden door de ultieme waarheid van alle fenomenen te zien als ledig van essentie, onderling afhankelijk, en daarom illusoir — maar niettemin functionerend in deze wereld die eveneens zowel in het Opslagbewustzijn ligt verborgen, als dat Opslagbewustzijn in zich bergt.
Overigens vinden we de leer omtrent ledigheid (sunyatā) al in de alleroudste manuscripten behorend tot de Pali-canon van de theravāda-traditie. In de Sutta Nipāta, boek vijf, de woorden die Boeddha spreekt tot Posāla (PTS F.204 : 1119) zegt hij: "Als je voortdurend bewust bent, dit beseft, Suññata, dat de wereld ledig is (suññato lokam), en je jezelf niet ziet in termen van (eeuwige) ziel, dan ben je op de weg die leidt naar die staat die voorbij aftakeling, voorbij dood is."
Boeddha zegt dit tegen een man die een paar weken daarvoor nog leerling was van de meest vooraanstaande asceet binnen de vedische (brahmaanse) leer. Hij spreekt hem aan in zijn eigen vaktaal en gaat rechtstreeks naar die concepten die hij afgewezen heeft, en die de kern vormen van de Boeddha-Dharma. Daardoor komen zijn woorden eenzijdig over, maar dat was onder de gegeven omstandigheden ook de enig juiste "insteek".

7. - Dualistische opinies. Zolang men meent dat er enerzijds een zelf of ziel is en anderzijds al het andere dat zich in de wereld bevindt, of, anders gezegd, zolang men zich als afgescheiden individu tegenover de wereld opstelt en niet beseft dat men die wereld is, ongedeeld, in al zijn vormen en aspecten, zolang is men dualistisch gericht en niet in staat de leer van de mahāyana te begrijpen.

8. - De Tathāgata zien. Dit is een buitengewoon belangrijk woord dat in vele mahāyana soetras voorkomt: de Leer ten volle begrijpen, zien, is de Boeddha zien. Deze woorden vinden hun oorsprong in een passage uit een leerrede uit de Pali-canon, een passage die tot op de dag van vandaag een enorme impact heeft. Daar zei de Boeddha: "Wie mij ziet, ziet de Dharma, wie de Dharma ziet, ziet mij."

9. - De zin beginnend met: "Hij is de kennis ... hij is de realisering" Hier wordt Boeddha, zoals in zovele mahāyana-geschriften, gelijkgesteld aan Verlichting. In dit opzicht verwijst de Lanka naar meer esoterische teksten waarin het Dharmalichaam (de Dharmakaya) en Boeddha als niet-twee worden voorgesteld. Het thema zal in latere passages van de Lanka terugkeren.

10. - Lakshaná. Dit woord betekent vorm of gestalte. In deze context staat het voor het vormgeven aan datgene wat zich aan de zintuigen voordoet. Zie de aantekening bij vers 44.

11. - "Die grond betreden die de Tathāgatas betreden." De "grond" is hier het voortdurende, ononderbroken als werkelijkheid ervaren van sunyata, het "zonder-beelden-zijn" en andere synoniemen voor vormen van verlichting.

12. - De passage beginnend met: "De gezegende zag ..."
. Anutpattikadharmaksanti. Anutpatti betekent niet-geboren; het staat ook voor het niet-geschapene, niet-samengestelde, hetgeen een synoniem is voor Tathāgata, Boeddha. Ksanti wordt meestal vertaald met het woord geduld, het betekent echter ook volharding, uithoudingsvermogen. Anutpattika-dharma-ksanti betekent "volharden in het zien van de dingen (dharma) als ongeboren, niet-samengesteld." Het is een aanduiding voor verlichting.

13. - De passage beginnend met: "Toen zag de tienhoofdige ..."
. De 10 windrichtingen zijn de vier kardinale windrichtingen, de vier tussenliggende, plus het nadir en het zenith.

14. - "Overal was het precies gelijk." Vooral de Avatámsaka soetra herhaalt, in de eerste zinsneden van vele boeken daarin opgenomen, hoe Boeddha met zijn magische kracht ontelbare boeddhalanden in alle windrichtingen toont, en hoe ieder van die landen precies gelijk is aan alle andere, en hoe in al die landen exact hetzelfde gebeurt, op exact hetzelfde moment. Dat is een beeld dat onze geest helpt de Boeddha-Dharma in zijn cosmische dimensies te zien. Echter, diezelfde Avatámsaka soetra, onderandere in het boek "Zangen vanuit Tushita", zegt hoe we "Boeddhas (kunnen) zien, zoveel als er gedachten zijn .... en geen hetzelfde." Daar hebben we dan weer de ervaringsfilosofie waarin het relatieve, al die verschillende voorstellingen van Boeddhas, en het absolute, het eender en hetzelfde zijn van alle boeddhalanden, tesamen worden opgevoerd als fundamenteel onafscheidelijk.

15. - De passage beginnend met: "Op dat moment dachten ..."
Fenomenen als het uitzenden van lichtstralen en de tien richtingen overschouwen worden in de soetras vermeld als gebeurtenissen die een rede aankondigen.

16. - De passage beginnend met: "Wanneer u uw gedachtenbron vrij houdt..."
De stadia waarover hier wordt gesproken zijn de 10 stadia op het bodhisattva-pad. De drie laatste worden hier met hun Sanskriet-naam benoemd: Acāla, Sadhumati, en Dharmamegha. De leer over de 10 stadia vindt u in het boek "De Tien Stadia (Dasabhumi)", een onderdeel van de Avatámsaka (Bloemenkrans) soetra.

17. - De passage beginnend met: "O, koning van Lanka."
Bijvoorbeeld, in het rijk van Amitabha Boeddha, maar ook in dat van andere Boeddhas, verblijven de hem gezelschap houdende bodhisattvas en anderen ieder op een enorme lotus die oprijst uit het water van een prachtige vijver. Lotussen staan voor reinheid, en het water van een zuivere vijver is heel verkoelend. Dit beeld is derhalve een metafoor voor een zuivere en bekoelde staat van geest. Met name in de leer die centreert rond Amitābha Boeddha vinden we negen typen individuen die zijn boeddhaland bewonen; de "laagste" groep doet er lang over om "uit de lotus geboren" te worden, de "hoogste" zit vanaf het begin op deze zetel van reinheid. Daar, naar de sermoemen van de Boeddha luisterend, cultiveren ze "op een heel natuurlijke manier" tot aan Boeddhaschap, hetgeen "het verstand teboven gaat" zoals onze Lanka zegt.



Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme