September 2021

Het laatste deel van À la recherche du temps perdu heeft als titel "Le temps retrouvé, de hervonden tijd. In principe spreekt Proust hier niet meer over het verleden, maar maakt hij de lezer deelachtig van zijn vandaag, op een paar uitzonderingen na, waaronder onderstaand fragment.
Die hervonden tijd, het heden, is voor de auteur geen pretje; hij ziet weinig licht meer, en na het gedeelte dat "Sodom et Gomorre" heet, waarin de herenbordelen en het daar beleefde sado-masochisme zo uitgebreid aan de orde komen dat uitgevers er niet aan wilden, volgt een algeheel afbranden van alle hoofd- en bijfiguren die voorheen aan de orde kwamen — alweer met een enkele uitzondering hier en daar. Ook dit deel van de roman vindt bij de uitgevers geen warm onthaal; het is op plaatsen niet minder schokkend dan wat er aan vooraf ging.

Tegen het einde van À la recherche is Proust's staat van geest op zijn dieptepunt aanbeland. Dat hij het met de lineariteit van de roman niet zo nauw neemt zien we bijvoorbeeld ook aan de figuur van de actrice "Rachel". In eerste instantie de maintenée van vriend "Robert de Saint-Loup", zien we haar in de laatste paginas binnen 16-17 jaar veranderd van een jonge vrouw van rond de twintig in een "afschuwelijk lelijk oud mens" van rond de zestig.
Dat gezegd zijnde veroorlooft Proust, die in dat laatste deel alle echte namen van echte mensen noemt zonder ze te verbinden aan de romanfiguur die hij van hen heeft gemaakt, zich een grap of grol die niet iedereen als zodanig heeft opgepakt.
Hij beschrijft dan de jalouzie en resultaten van jalouzie in parijse acteurskringen. Waar Proust doorheen het boek in bewonderende woorden — een uitzondering — sprak over "La Berma", zijnde de actrice Sarah Bernardt, laat hij de door hem spontaan gehate bovengenoemde "actrice Rachel" tijdens een soiree bij "la princesse de Guermantes" optreden. Het oudje beklimt daar een podiumpje, stort zich op de knieën (zoals Bernardt dat deed(3)), heft de handen ten hemel (zoals Bernardt dat deed), en declameert de fabels van Jean de la Fontaine.

Er wordt hier niet voor niets een karikatuur van Marcel Proust op latere leeftijd getoond. Zo naar de wereld om hem heen kijkend als hij als kind was, zo onbewust van standsverschillen en bijkomende sociale conventies hij toen nog was, in de loop van de jaren vallen hem de schellen van de ogen.
Waar Proust zijn alter-ego portretteert als een graag geziene gast in de high society, in werkelijkheid moet dat toch wat tegengevallen zijn, ook al is zijn moeder van rijke komaf en had hij zich alleen al op basis van dit gegeven overal moeten kunnen vertonen. Dat moet tegengevallen zijn. Online (2021) vinden we een video over de schrijver die zich klandestien achteraan op de stoeltjes heeft gevoegd tijdens een kerkelijke huwelijksvoltrekking tussen adelijken. We zien hoe hij zich na afloop van de dienst uit de voeten maakt om niet in de kraag gevat te worden als ongewenste indringer.
Ook lijkt het parijse publiek Marcel's beschrijvingen van het amoureuze met dames niet zomaar aangenomen te hebben; "iedereen" wist toch dat hij in feite homosexueel was.

Hoe Proust opgelopen kwetsuren niet heeft kunnen verwerken zien we in zijn bewondering voor "Vermeer de Delft". De uitdrukking vinden we al in het eerste deel van À la recherche, en in het latere gaat hij er op door. Ook de naam Rembrandt valt, maar slechts terzijde. Waar hij "de hertog van Guermantes" naar het museum in Den Haag laat afreizen om daarover de loftrompet te steken, heeft in werkelijkheid Proust zelf bezoeken gebracht aan Den Haag en Amsterdam, en wellicht ook Delft. Daar zal iemand hem hebben verteld dat Holland nog wel een koninkrijk was — na Napoleon-III was het in Frankrijk snel afgelopen. Proust, de in zijn kuif gepikte liefhebber-hater van de adel, slaat in het tweede deel van zijn roman terug: "la princesse de Nassau, grande cocotte du monde". (De prinses van Nassau, grote luxeprostituee van de upperclass.)

Hoe het ook zij, Marcel Proust's meest bekende werk is geen "roman fleuve" zoals wel wordt beweerd. In iedere sectie van het boek beschrijft hij blokje voor blokje uitvoerig bepaalde aspecten van het bourgeois-leven van zijn tijd: wie bij wie op de "orangeade" mocht komen, hoe het er in het theater met zijn "baignoires"(2) aan toe ging, hoe het kennismaken met vreemden verliep, hoe de koets langzaamaan vervangen werd door automobielen — waar in eerste instantie de bestuurder in de openlucht zat, rechts naast het motorblok, want die bestuurder had immers als koetsier ook in de openlucht gezeten. Zo'n bestuurder werd aanvankelijk een "wattman" genoemd, naar James Watt (zoek het op).

Als een rode draad loopt vanaf de helft van À la recherche de zaak Dreyfus. Waar er al sprake was van "links" en "rechts" — de communistische partij had al een vestiging in Frankrijk — bij die Dreyfus-affaire, waar iemand als de socialist Jean Jaurès een resoluut einde aan maakt, vermeldt Proust Jaurès zonder verder in te gaan op diens aandeel in die zaak. De kloof tussen "links" en "rechts" verdiept zich: links = "Dreyfusard": het "volk", de joden, en een deel van het leger; "rechts" = anti-Dreyfusard: een deel van de legerofficieren en de well-to-do, of ze nu bankier of nieuwe adel waren — de oude adel was tijdens de Revolutie grotendeels gedecimeerd en hield zich in hun provinciale burchten veelal op de achtergrond.



(1) Sinasappellimonade. Tot zeker de "roaring twenties" was het niet gebruikelijk om bij visites, in de "salons", of bij feestelijke gelegenheden alcohol te gebruiken. Het na het bal ladderzat naar huis gaan kwam pas geruime tijd na WO-I in gebruik. Uitzondering vormde de werkende klasse die in alcohol compensatie voor het te hard labeur tegen te weinig wedde een toevlucht vond.
(2) "Baignoire", badkuip, was de benaming voor theaterloges die met hun ronde vorm iets boven de zaal uitstaken.
(3) Bernardt is het meest bekend geworden als Phèdre (Phaedra) in Jean Racine's in 1677 geschreven toneelvoorstelling. Het op een oud-griekse vertelling gebaseerd stuk laat deze vrouw een smeekbede uitspreken aan het adres van een zekere "Hypolyte". In À la recherche komen we een passage tegen waaruit we moeten opmaken dat Sarah Bernardt tegen het eind van haar leven nog één keer optrad en bij die gelegenheid alleen deze dramatische passage speelde, zelfs zonder tegenspeler, zo moeten we opmaken.



Maar in dat laatste deel, tussen de toch wel schokkende vertelling over die herenbordelen en het met de grond gelijk maken van de meeste voorkomende romanfiguren — ze zijn oud en lelijk geworden, of oud en moreel-ethisch onaanvaardbaar, komen we dan toch weer een stukje tegen dat even de gedachte aan die laatste moeilijke proustiaanse jaren doet vergeten. Je zou er een milde vorm van satori in kunnen lezen. En waar het bloed kruipt waar het niet gaan kan komt de auteur toch weer bij het verleden uit, aan de hand van een struikelpartij die niet alleen herinneringen levend maakt, maar die ook de mist wegvaagt voor de zintuigen: het horen wordt helder, het zien wordt helder, de tijd doet er niet meer toe.
Dat deel begint als volgt:

"... Ik was de binnenplaats van het hôtel(4) van De Guermantes opgelopen en in mijn onoplettendheid zag ik een wagen niet aankomen. Op de schreeuw van de wattman had ik nog maar net de tijd om snel opzij te gaan, en ik stapte zodanig terug dat ik ongewild struikelde over het plavijsel dat nogal slecht gelegd was, en waar achter zich een remise bevond. Maar op het moment dat ik me weer in evenwicht bracht zette ik mijn voet op een steen die iets lager lag dan die waarop ik eerder stond. Mijn aanvankelijke ontmoediging verdween compleet en werd vervangen door datzelfde geluksgevoel dat me in bepaalde episodes overkwam bij het zien van bomen die ik tijdens een autotocht rond Balbec meende te herkennen, bij het zien van de klokketoren van Martinville, bij de smaak van een madeleine gedoopt in een infusie(5), en bij zoveel meer ondervindingen waarover ik eerder sprak en die voor mij hun synthese leken te vinden in de laatste werken van Vinteuil.(6) Want toen, toen ik die madeleine proefde, leek alle ongerustheid over de toekomst, alle intellectuele twijfel als opgelost. Dat wat me daarnet nog besprong met betrekking tot de realiteit van mijn literaire kunde, en zelfs met betrekking tot de realiteit van literatuur als zodanig, leek opgeheven te zijn, als bij toverslag.

" Deze keer beloofde ik mezelf dat ik, zonder dat ik ook maar op enige nieuwe redenering was gekomen, zonder dat ik ook maar enige slotverklaring had gevonden, mezelf niet zou toestaan de moeilijkheden te negeren die me daarnet nog onoplosbaar leken, en die me nu voorkwamen als volkomen onbelangrijk, net zoals die dag toen ik die madeleine proefde, gedoopt in een infusie.

" Dat geluksgevoel dat ik zojuist ervoer was werkelijk hetzelfde als wat ik onderging bij het eten van die madeleine, toen ik het zoeken naar een diepere oorzaak ervan op de lange baan had geschoven. Zuiver materieel gezien lag het verschil nu in de opgeroepen beelden: een diep azuurblauw bedwelmde mijn zien, impressies van frisheid, stralend licht wervelden om mij heen, en in mijn verlangen hen te grijpen, zonder dat ik me durfde te bewegen, net als toen ik de smaak van die madeleine onderging, wilde ik datgene oproepen waaraan het me herinnerde, en kon het me niet schelen dat de hele schare wattmen om me lachte omdat ik daarnet wankelde, een voet op een steen die hoger lag, en een andere op een lagere.

" Maar telkens wanneer ik alleen maar feitelijk die zelfde stap overdeed bleek het vergeefse moeite. Zou ik er echter in slagen, en zou ik dat ochtendje bij de Guermantes maar vergeten om dat wat ik onderging bij het zo neerzetten van mijn voeten te herbeleven, dan zou dat stralende en toch ietwat heiïge beeld me weer beroeren alsof ze tegen me zou zeggen "grijp me dan, in het voorbijgaan, als je er de kracht voor hebt, en probeer het raadsel van het geluk dat ik je voorhoud op te lossen". En bijna op datzelfde moment herkende ik het: het was Venetië dat, ondanks mijn inspanningen het te beschrijven en de zogenaamde snapshots die mijn herinneringsvermogen ervan gemaakt had, me nooit iets had gezegd, maar dat het toch een enkele ondervinding was, toen, op de ongelijk liggende plavuizen voor de kerk(7) van San Marco, samen met alle andere impressies (die dit geluksgevoel had opgeroepen)..."



(4) Hôtel particulier. Stadspaleis. MaÎtre d'hôtel: hoofdbutler.
(5) Infusion. Nog niet zo heel lang geleden (het is nu 2021) was thee (Camellia sinensis) in Frankrijk bijna onbekend. Men dronk desnoods thee getrokken van lindebloesem. Dat werd een "infusion" genoemd, en er werd van gezegd dat het geneeskrachtig was. Dus je dronk het alleen wanneer je je niet lekker voelde. Vanaf de eerste jaren-70 kwam er in Parijs een theesalon, die in eerste instantie alleen door Britten en Amerikanen werd bezocht; gebrande thee, dat kon toch niet gezond zijn.
(6) Cesar Franck.
(7) Er staat baptistère, gebouw waarin doop plaatsvindt.
Terug naar deel 1



White Jade River, Instituut voor Boeddhisme.
Deze pagina is toegevoegd in juni 2021.

Stichting onder nummer 20138036.