|
|

Ze hebben even een paar winkelpandjes en een speelpleintje vergeten in te tekenen, maar ja, je kan ook niet aan alles denken.
Die daken worden als dubbelgevouwen A4-tjes over de voor- en achtergevel geschoven tot ze op de zijmuren rusten. Geen nokbalk, geen schoren, geen spanten. De 20-min-generatie hoeven we niet meer aan te komen met deze vaktermen. Het zijn onbekende begrippen aan het worden, iets voor oma en opa, niet voor ons, de aanstormende makers van het universum.
Dat ziend gaan we al snel zitten miezemuizen over Boeddha's opmerking over de bouwer van het huis en over wat vertaald is geworden als "spanten", phāsukā. De vertaling is moeilijk, "rib" en "flank" zijn andere mogelijkheden. We moeten daarbij bedenken dat zo'n 3000 jaar geleden in de tropen, of althans in seizoenen waarin de temperatuur niet beneden de 300C. kwam, zowel rieten woningen werden gebouwd als adobe-huizen, zoals het in Zuid-Amerika heet, waarbij dikke takken en stammetjes de basis vormden waar muren en daken tegen leunden, resp. op kwamen te rusten.
Zo kent het Pāli de term "avasesakilesa (avasésa + kilésa, wat er van de mentale bezoedelingen nog rest) -phāsukā (spant, rib, flank) -bhaggā (gebroken, kapot)."
Maar dat is niet de uitspraak waar we het hier over willen hebben. We hebben het dan over een uiting die is opgenomen in de Dhammapāda, een collectie min of meer aforismen die niet allemaal aan de historische Boeddha zelf moeten worden toegeschreven, maar deze zeer waarschijnlijk wel. De laatste helft van de uiting (uit Dhp.146-156, Jarā-vagga) gaat in het Pāli dan als volgt:
Gahakāraka diţţhosi! Puna gehaṁ na kāhasi:
sabbā te phāsukā bhaggā, gahakūţaṁ visańkhitaṁ,
visańkhāragataṁ cittaṁ, taņhānaṁ khayam-ajjhagā.
Huizenbouwer! Je bent gezien! Geen huis zul je nog bouwen!
Je spanten/flanken (phāsukā) liggen neer; je nokbalk is er geweest,
mijn mind (citta) is bevrijd, is bekoeld; de dorst (taņhā; naar een leven na dit leven) is gelest.
Vooral dat woord taņhā roept ongemakkelijke gevoelens op: mag ik dan niks meer willen, mag ik dan nergens meer naar verlangen? (Ik heb zin in een ijsje.)
Het is inderdaad niet moeilijk om het begrip in het extreme te trekken, zoals de bijna niet meer bestaande sub-denominatie van de
jaïns dat schijnt te hebben opgevat.
Sakyamuni Boeddha leerde zijn volgelingen echter dat er wel degelijk streven mag, en zelfs moet zijn. Uiteraard het streven naar die bevrijding waar ook dit vers het over heeft, maar daaraan voorafgaand het streven naar een harmonieuze, geweldloze, oprechte samenleving, iets waar hij het vaak, of eigenlijk altijd, in zijn toespraken ten overstaan van de burgerij over had.
Een als gezaghebbend gezien commentaar op het Dhammapāda-vers zegt dat "het huis" een ander woord is voor het individuele bestaan, dat "de huizenbouwer" de dorst, of anders gezegd, het verlangen is, en dat "de spanten/flanken" de passies zijn, de driften die de hele zaak overeind houden.
|
|
De bouwer van het huis
|
| |
|
|
|
Nieuws over Boeddhisme is een productie van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme.
De paginas bestaan sinds december 2004.
|
Stichting onder nummer 20138036.
|
| |