DE BLOEMENKRANS SOETRA

Avatámsaka Soetra


DEEL TWEE

Boek Zevenendertig


Manifestatie van Boeddha
Bijlage 1





De Avatámsaka Soetra spreekt over een aantal boeddhistische concepten op een heel eigen wijze. Zo ook over Voorwaardelijk, Afhankelijk Ontstaan:
"Vergelijk het met een universum dat uit biljoenen werelden bestaat; dat is niet gevormd door slechts één conditie, niet slechts door één fenomeen, nee, het kan alleen maar gevormd worden door ontelbare condities, ontelbare dingen."(1)

In de bespreking van boek 22 wordt al vrij uitgebreid op dit thema ingegaan.
De passage wordt gevolgd door een beschrijving van allerlei soorten wolken en allerlei soorten regen die een veelheid aan voorwaarden en condities doen ontstaan, die een veelheid aan gevolgen hebben. Uiteindelijk wordt hier, na een serie voorbeelden, verteld wat de Dharmawolk of Dharmaregenregen (Dharmamegha) is die in boek 26, de Tien Stadia, de laatste van de tien Bodhisattva-stadia is. Daarom moet in het kort even weergegeven worden wat er aan de vermelding van Dharmaregen vooraf gaat.

"Dat wil zeggen, het verrijzen en het uitspreiden van grote wolken, en het neerdalen van grote regen produceert vier soorten atmosferen. ....
De ene wordt 'de houder' genoemd omdat ze de grote wateren [bijeen] kan houden.
De tweede wordt 'de verdamper' genoemd omdat ze het water kan laten verdampen.
De derde wordt 'de structuur' genoemd omdat ze het vasteland neerzet.
De vierde wordt 'arrangeren' genoemd omdat alles functioneel wordt gearrangeerd en verdeeld.
Dit alles wordt geproduceerd door levende wezens, en door de wortels van het goede van Bodhisattvas, ...
....
Ontelbare van dergelijke voorwaarden en condities vormen het universum. Het is zo vanwege de aard der dingen - er is geen producent of maker, geen kenner of schepper, en toch komt de wereld tot stand.
De manifestatie van Boeddha is ook zo. Die manifestatie is er niet als gevolg van slechts één conditie, of van slechts één ding, maar is er als gevolg van ontelbare oorzaken en condities, ontelbare fenomenen."


Dan worden de vier soorten natuurlijke, fysieke atmosferen vergeleken met "vier soorten atmosferen van grote kennis in de Verlichtten." In het geval van Boeddha is 'de houder' het geheugen, 'regen' is de kennis, 'structuur' is de kennis van vaardige middelen (upāya), en 'arrangeren' is het tonen van 'verfraaiingen' die de wortels van het goede (ook boek 25) zuiveren.
En dan volgt het citaat waar het om gaat:


"Boeddha doet de wolken van de Grote Leer [Dharmamegha] ontstaan, en regent de regen van de Grote Leer."

De Dharmawolken en de Dharmaregen zijn dus: de Dharma kunnen onthouden, weten wat de Dharma betekent, vaardige middelen ter onderwijzing, en het cultiveren van verheven morele kwaliteiten.

Tibetaanse commentaren menen dat Dharmaregen naar het Sanskriet terugvertaald eka-rása is, "één smaak". Dit boek uit de Avatámsaka Soetra spreekt inderdaad even verderop over "het water dat de grote regenwolken doen neerdalen en dat slechts één niet-gedifferentieerde smaak heeft", ook weer als een voortzetting op een uitspraak die we voor het eerst tegen komen in de Kleine Voertuig-geschriften. Bijlage 2 zal er op ingaan. Het gebruik van het concept Een is er in de Himalaya-richtingen ingekomen via het Kashmiri-saivisme dat, evenals andere vedische stromingen, stelt dat er uiteindelijke het Ene is, en dat dit het ultieme goddelijke is. Het vroege boeddhisme rijst hierbij de haren te berge; de vroege stromingen stellen uitdrukkelijk dat het Ene zowel een onbestaande als een ongewenste is.




Noot:
(1) Een eindje verder in boek 37 wordt het thema nog eens herhaald in niet mis te verstane woorden:
"Er is geen scheppen, geen vernietigen, geen schepper, en niets dat geschapen is of wordt."
We zouden kunnen zeggen dat het thema opnieuw, maar nu in meer bedekte bewoordingen, ter sprake komt in de passage over "de opperste heer van het universum" of Brahma. Zie het hiernavolgende stukje.



Op de eerste pagina werd al gesproken over vertaalproblemen die ontstaan moeten zijn bij het overzetten van een "Sanskriet-achtige" taal naar het Chinees waarin uiteindelijk de Avatámsaka Soetra werd gevonden. In een van de passages wordt gesproken over "de opperste heer van het universum". Pas in passages die daarop volgen komen de namen Brahma(1) en Indra een aantal keren voor. Het is goed mogelijk dat in het origineel zoiets heeft gestaan als deva-maharaja.
De chinese vertaler moet de neiging hebben gehad deze naam af te zetten tegen concepten die in die voor- of buitenboeddhistische wereld wel bekend waren. Zo vinden we namen als chih-[d]jen, het hoogste wezen, en wo, de cosmische persoon.

Ook wordt hier opnieuw gesproken over het instandhouden van de afstammingslijn der Boeddhas, en wordt de lezer voorgehouden dat "Boeddha de Bodhisattvas de voorspelling doet dat ze gekroond zullen worden door alle boeddhas [d.w.z. in de Boeddhafamilie zullen worden opgenomen], en ....... dat de Bodhisattvas [vervolgens weer] in de wereld zullen verschijnen."

Hiermee is de erfeniskwestie geregeld. De op pagina een gestelde vraag "Wie is de erfgenaam van de Boeddha-Dharma" is hiermee beantwoord. Een eindje verderop, bijlage 3, wordt er nog eens op gewezen dat alle wezens het Boeddhawezen al in zich dragen; de tekst impliceert dat er daarom niets te erven valt. Daarin stemmen de Avatámsaka Soetra en de Lotus Soetra overeen. Uit de Lotus kennen we het verhaal over de rijkemans-zoon die zich niet bij machte voelde zijn vaders' emperium over te nemen, en die daarom jarenlang als arme straatveger over de wereld dwaalde. Eenmaal teruggekeerd in het ouderlijk huis draagt vader zijn vermogen over aan een zoon die ook dan nog steeds reageert zoals een onwetende reageert: hartelijk dank, daar had ik niet op gerekend, dat ik iets zou krijgen wat ik nog niet had. De Lotus gebruikt deze parabel om de hardnekkigheid van onwetendheid aan de kaak te stellen. Het is een heel optimistisch, aanmoedigend leerstuk.

De in het bovengenoemde citaat gegeven gedachte over een weer in de wereld verschijnen wordt bijvoorbeeld door de Reine Land-tradities gezien als het voor de geest verschijnen van Amitābha Boedha en zijn grote Bodhisattvas op het moment dat iemand overlijdt; ze nodigen de stervende uit naar het Reine Land waar op een eenvoudiger manier dan op aarde de Boeddha-Dharma gerealiseerd kan worden.




Noot:
(1) Dat Brahma binnen de boeddhistische context niet dezelfde Brahma, de schepper is uit de bovengenoemde vedas of het hindu´sme, wordt duidelijk uit een Kleine Voertuig Soetra over Baka Brahma. Alleen de naam Baka Brahma geeft al aan dat er meerdere Brahmas zijn. In al die Kleine Voertuig (Pāli-) Soetras wordt er op gehamerd dat die Brahmas het dan wel fijn hebben in hun Brahma-wereld, maar dat ook die wereld vergankelijk is, en dat ook Brahma na ommekomst van die wereld dan weer zal moeten cultiveren om uiteindelijk aan de kring van wedergeboorte een eind te kunnen maken.
Het hier volgende citaat stamt uit de Brahma-nimàntana Sutta uit de Majjhima Nikāya.
"toen nam de Dood, de Kwade, bezit van een lid uit de gemeenschap rond (Baka) Brahma en zei tegen mij (Sakyamuni [of Gátama of Gótama] Boeddha): Monnik, sta deze niet in de weg. Hij is de grote overwinnaar, hij die nooit overwonnen werd; hij heeft macht over alles, hij regeert over de wezens, hij is de eerste onder de scheppers, hij is de vader die macht heeft over alle scheppers."
In het gesprek dat daarop volgt weet Boeddha de Dood en Baka Brahma er van te overtuigen dat dit allemaal wel meevalt, en dat er nog een wereld aan taken te wachten ligt.




bijlage 2 | bijlage 3 | bijlage 4 | bijlage 5

Het woord Bloemenkrans staat voor Perfecties die we kunnen behalen en dan als het ware aanbieden aan Boeddha die ons geleerd heeft wat die Perfecties zijn en hoe ze vergaard moeten worden.

Een engelse vertaling werd uitgegeven door Shambala


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme