DIAMANT SOETRA


Onderdeel van de Perfectie-van-Wijsheids-teksten




INTRODUCTIE



   
Dit is het verhaal: Sakyamuni Boeddha gaf zijn Weten omtrent de dhyāna (zen-)praktijk door aan zijn geliefde discipel Mahā-kàsyapa, die het op zijn beurt doorgaf aan zijn jongere monnik-collega Ānanda. En zo erfden 27 achtereenvolgende meesters de niet in woorden te vatten leer. Na de 27e patriarch kwam de 28e, Bodhidharma. In het jaar 526, tijdens het bewind van keizer Liang Wudi (spreek ongev. ljàng woedi), arriveerde Bodhidharma in de havenstad Canton. In China was Bodhidharma de eerste zen-patriarch, en gaf voor zijn heengaan de leer door aan Huikuo (spreek ongev.: hwei-kwo), die ook wel de Grote Meester Shenkwang wordt genoemd. Tijdens het leven van de 5e patriarch hoorde een kachelhoutjesverkoper met de naam Hwangyan (spreek ongev. hwang-jèn) iemand de Diamant soetra reciteren. Hij begreep onmiddellijk de uiteindelijke betekenis en werd, na vele jaren, de zesde patriarch die we nu kennen als Huineng (spreek ongev.: hwei-nèng -- of in het Cantonees: Weilang).
Omdat de Diamant soetra, alhoewel beknopt, maar misschien juist daarom, zo belangrijk is voor het begrijpen van de leer van de mahāyāna volgt hierna een poging tot een vertaling ervan. Daarbij is de vroege vertaling van Cowell, Mueller, en Takakusu als referentie gebruikt.

De laatste alinea van deel 14 wordt over het algemeen pas gegeven aan het eind van een soetra.
Over de Prajñā paramitā als deel van het mahāyāna-corpus
Tussen de jaren 399 en 414 nC treft de monnik-pelgrim Faxian (Fa-Hien -- spreek ongev.: fa-hjèn) een Prajñā paramitā-verering aan in Mádhya-désha, het centrale deel van India. Dat wil niet zeggen dat (afgekort) de PPS daar voor het eerst werd opgetekend, maar het betekent wel dat deze collectie teksten daar naar zijn vorm werd herkend als een product van het abstract-filosofische denken van India. Diezelfde vorm, als we het zo mogen noemen, vinden we in een al iets soepeler versie terug in de (mahāyāna) Mahā-pari-nirvāna soetra waar, evenals in de Lankāvatāra soetra, de dialoogvorm de meest in het oog springende verteltrant is. De Lotus soetra hanteert de vorm van legenden vertellen, en de Avatámsaka soetra, waarvan we de wortels in Serindia vermoeden, hanteert een uitbundigheid aan allegorieën, metaforen, en voorbij de horizon visualisatie-meditaties.
Met enige goede wil zouden we hier een ontwikkeling naar een steeds grotere leesbaarheid kunnen vermoeden die ontstaan moet zijn op aandringen van een burgerbevolking die wel eens wat wil weten, maar daarom nog niet bereid is er werkelijk in te duiken. Zodra het moeilijk wordt gaat u thee zetten. (Uitzondering moet dan gemaakt worden voor de Avatámsaka soetra die zonder grondige kennis van de aanvangsleer ontoegankelijk is, danwel een serie verhalen is waarvan de lezer voortdurend de pointe over het hoofd ziet.)
Over de verschillende versies van de Prajñā paramitā
De Prajñā paramitā-collectie kent een aantal versies, van 2000 deeltjes tot 8000 deeltjes. Op een paar plaatsen in de Diamant soetra zien we hoe dat proces zou kunnen hebben verlopen. Het is mogelijk dat er een bundel berkenbast-repen of beschreven palmbladeren is geweest die teksten tot en met deel veertien bevatten. Het zou kunnen dat latere generaties deze bundel als een geheel is gaan beschouwen, en er, om het af te ronden, een laatste alinea aan hebben toegevoegd.
De verzen aan het eind van tekst 26 en 32 doen iets soortgelijks vermoeden.
Het is daarom niet onmogelijk dat deze versie van de Diamant soetra is samengesteld uit drie verschillende bundels tekst.

Een ander opvallend verschil met andere teksten uit de Prajñā paramitā-collectie is dat in de Diamant soetra vanaf de eerste regels wordt gesproken over de bodhisattva, en wel in een Hybrid-Sanskrietversie waarvan we daarom toch moeten aannemen dat ze het originele manuscript is, of dicht tegen het origineel aanligt. In die hele Prajña-collectie, waarvan toch wordt gezegd dat hierin nog geen sprake is van het woord bodhisattva, vinden we toch in deze Diamant soetra, én in de Pañca-vim-sátika (noot 8 onder de doorklik), alsmede de Sumatraanse opvatting van Avalokiteshvara als vrouwelijke bodhisattva, toch de representanten van een in die tijd opkomende bodhisattva-verering, en daarmee een afstand nemen van het al te privé-persoonlijke cultiveren: de rest van de mensheid werd in de mix betrokken.
Hetzelfde kan gezegd worden voor die andere appendix aan de oorspronkelijke Prajña-collectie, de Hart soetra. De laatste regel van de Hart soetra "gate, gate ...", die per traditie wordt vertaald met "laten we allemaal gaan ...", toont de Sanskriet passive : "is gegaan", en is daarmee een ode aan het adres van Avalokiteshvara bodhisattva die in de eerste regel van het proza-gedeelte wordt voorgesteld.



De tekst verschijnt hier in twee versies. Een versie heeft geen voetnoten en toevoegingen tussen haakjes - voor diegenen die in eerste instantie een "opgeschoonde" tekst tot zich willen nemen; een tweede versie is voorzien van een uitgebreid voetnotenapparaat ten behoeve van hen die kennis van vaktermen hebben en vergelijkend willen lezen. Lezers van de "schone" tekst wordt niettemin aangeraden bij teksten 14 en 17 ook een deel van de voetnoten te betrekken.

De moeilijke woorden in de voetnoten worden gegeven zoals ze er staan. Het is ondoenlijk om bij ieder woord de juiste klemtoon aan te geven.


Vertaling: bhiksuni Ratana.

Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme