Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






PHANIGIRI, DE DECCAN-SITE





mei 2022
Het boek "Phanigiri, Interpreting an ancient Buddhist site in Telengana", verscheen in 2020 als productie van een van India's uitgevers. Helaas is het op dit moment niet in papieren uitgave te krijgen bij online boekhandels. Wel valt het als PDF te lezen onder dit adres.

Over het prachtig geïllustreerde boek verscheen in The Hindu een verslag dat lezenswaardig is, ware het alleen maar omdat we daar zien hoe kinderen van het land zoiets zien, waarderen en/of interpreteren.De hoogtijdagen van Phanigiri vihāra, zo stelt Akira Shimada (Phanigiri p.135), viel net voor, tijdens, en net na de Ikshvaku periode. Dat wil zeggen dat Shimada het dan heeft over de 4de eeuw.(1)

Een van de eerste dingen die ons al meteen opvallen (p.2) is de vermelding van "mithunas" (mitoenas), elkaar liefhebbende koppeltjes. Dat is inderdaad geen stukje iconografie dat bij het oude boeddhisme hoort, maar eerder geïmporteerd werd vanuit zekere stromingen binnen het hinduïsme. Het toont ons hoe dit door de burgerij zeer op prijs gestelde concept: gezelligjes samenleven en toch streven naar verlichting, vanuit het zuiden van India gemigreerd moet zijn naar ver afgelegen oorden zoals Tibet en Thailand en omstreken. In het eerstgenoemde land is dit beeld opgenomen in de tantrische leer met zijn ineengestrengelde paren, en in het laatstgenoemde is het verschenen onder de naam "Dev Panom" (spreek: deev panóm).

En verder lezen we over twee regionale koningen die de eertijds zeer welvarende tempel van Phanigiri, "ten oosten van de Musi-rivier"(p.19), onderhielden. We zien de namen Rudra-purusha-datta en Sata-karni.

Phanigiri, de berg Phani, d.w.z. de berg die er uitziet als de kop van een draak (naga), kende een, en mogelijk meer dan een, boeddhistische stroming die, in tegenstelling tot de orthodoxie, veronderstelde dat ook vrouwen naar verlichting konden streven. Dit wordt duidelijk aan de hand van twee inscripties waarin sprake is van giften aan de tempel, gedaan door Kitanikā and Dhammasenā (de orthodoxie legt, zodra het om vrouwen gaat, de nadruk op de laatste klinker a of i).

Naamsverwarring
Peter Skilling, een van de medewerkers aan deze bundel, maakt melding van de pre-mahāyāna-stroming de Bahu-srutiya (spr.: bahoe-sroetja), "zij die veel gehoord hebben", c.q. "de geleerden". De tekst van de "Phanigiri, ..." suggereert dat dit de stroming was die de Phanigiri vihāra bewoonde, en geeft in ieder geval de abt over deze grote tempel de naam Dhamma-sena (eind-a zonder accent = mannel. uitgangsvorm).
Bareau(2) echter somt een 18-tal van de Bahu-srutiya leerstellingen op, en onder punt 2 is daar geen sprake van een abt met de naam Dhammasena, maar van een met de naam Mahādeva, een naam die in "Phanigiri, ..." wordt gegeven als een synoniem van de hindugod Vishnu (p.31).

Het is, en dit als citaat uit Bareau's werk (p.82), Mahādeva's Bahu-srutiya geweest die leerde over "het lijden aan het lijden" (Hybr.Skr.: duhkhaduhkhatā), of in Oma's woorden "het lijden dat men vreest, ..."

Opmerkelijk is dat in "Phanigiri, ...", ondanks de belofte dat alle namen in het Sanskriet zouden worden weergegeven, de naam Dhamma-sena toch in de Pāli-vorm wordt gegeven, maar dat Bareau zijn "lijden aan het lijden" (duhkhaduhkhatā) in de Hybr. Sanskriet-vorm heeft aangetroffen, of althans naar die taal heeft overgezet.

Terug naar Phanigiri, ....
Verder citeert genoemde Skilling (p.31) opnieuw impliciet Bareau wanneer deze laatste optekent dat — punt 4 van de Bahu-srutiya — Boeddha geen deel uitmaakt van de sangha, hier in enge zin te verstaan als monialen-gemeenschap. Hoewel de verschillende afbeeldingen van artefacten te Phanigiri, in dit geval die van een bodhiboom met niets daaronder, in feite een expressie is van de vroegste opvattingen die stelden dat Boeddha niet afgebeeld zou moeten worden (een soort heiligschennis), kan het ook zijn dat hier, op de Deccan, de monialengemeenschap die "lege" bodhiboom gezien heeft als een bevestiging van het idee dat Boeddha tenminste niet deel uitmaakt van genoemde sangha, en in feite, nu hij overleden is, een niet-menselijke aanwezigheid is, die als gevolg daarvan niet afgebeeld kan worden.

Met de opvatting dat Boeddha geen monnik is (zoals de anderen), zo stelt Bareau, zette de Bahu-srutiya zich af tegen een andere pre-mahāyāna-stroming als de Vātsiputrīya(3), en, mijn aanvulling, overigens ook tegen het huidige zuid-aziatische theravāda waar met name de Thai het uitdrukkelijk heeft over "phra Put", monnik (phra) Poet, d.w.z. Boeddha.

Elders in deze cluster webpaginas is er al melding gemaakt van het opraken van bodemschatten in het bassin van de Krishna en de zijrivieren ervan. Gravers en handelaren trokken dus weg en ook de monialen vertrokken.
De indiase medewerkers aan genoemd boek merken op hoe dorpelingen in de omtrek veel van de bouwmaterialen moeten hebben weggesleept voor de bouw van hun eigen huizen en eventueel andere tempels. Wat er overblijft is nog steeds interessant genoeg om te gaan kijken, zeker wanneer men ook een bezoek aan het Kalachakra Museum in Amaravati brengt. Kala-chakra is zo genoemd naar de gelijnamige tantra die ontstaan zou zijn in of rond Dhanya-kataka, een andere naam voor Amaravati, nu de stad in de nabijheid van Phanigiri. Die figuur van Kala-chakra heeft zijn origine in een paar werken uit het vroegere en latere boeddhisme.(4). Het is de Kalachakra tantra die evenals het bovengenoemde concept van mithuna naar Tibet is gemigreerd.

We moeten er van uitgaan dat monniken, nadat ze de Gangesvlakte verlaten hadden (gezeur met Tibetanen in Bodhgaya en Nālandā, daar zijn verslagen van), om zich in de Deccan te vestigen, na het verdwijnen van dagmijnbouw ("pannen" van goud)(5), en dus na het verdwijnen van materiële ondersteuning door welgestelde lieden, opnieuw noordwaarts trokken om in een universiteits-achtige vestiging als Nālandā (opnieuw) in contact te komen met Himalaya-studenten. Als versterking van onderandere Allchin's bevindingen dat hier, rond de rivieren van de Deccan, goud en zilver werd gedolven geldt dat, nadat archeologen de grote stoepa even hadden opengemaakt, om toch te zien wat die boeddhisten daar dan wel allemaal niet in opborgen, er aardewerken potten aangetroffen werden met kleine bloemetjes gemaakt van goud- en zilverfolie (Phanigiri pp.21, 67, 69). Het is geen vondst waar grafrovers blij mee zouden zijn geweest; de oudheidkunde-handelaren zouden er weinig voor gegeven hebben.

We mogen er van uitgaan dat "de zuiderlingen", zo lang na de eerste generatie die geen trek had in debatten met eigenwijze Himalaya-bewoners, door het hinduïsme binnengebrachte leeropvatting meenamen naar het noorden. Dan hebben we het bijvoorbeeld over die mithuna waarmee dit stuk begon, en ook over het leerstuk dat zei dat Boeddha geen monnik was.

Er is, maar daar gaan we hier niet verder op in, ook het legendarische verhaal dat prins Siddhartha, nadat hij van huis was weggelopen, niet zomaar zijn lange haar afsneed, maar tegelijk ook zijn kostbare turban stuksneed en de wijde wereld in gooide. Die zuidelijke opvatting over het burgerleven verlaten door de Boeddha-in-spé lijkt geen ingang in het noorden te hebben gevonden, ook al werd het in de Phanigiri vihāra zo belangwekkend gevonden dat het als bas-relief op de muren werd uitgebeiteld.

Zeker naar aanleiding van wat Peter Skilling in dit boek heeft gesteld — hij is de co-auteur geweest die er de meeste meningen op na houdt — zijn een paar problematische punten opgenomen in verschillende web-paginas op deze WJR-site. Zo staat er inmiddels een kolom over het woord vinaya (Skilling: "een nikāya is een vinaya-stroming") op de eerste pagina over de zogenoemde concilies.
Zijn opmerking dat Taranatha meldde dat een monnik met de naam Manomati de auteur noemde van de Avatámsaka soetra staat op de introductiepagina tot die serie paginas.

We zouden nog meer kleinigheidjes kunnen opnoemen die niet echt overeen komen met het boeddhisme zoals dat is overgeleverd, onderandere het slachten van een geit als offerande ter gelegenheid van Pavaranā, het einde van de regentijd-retraite (Phanigiri p.77). Het herinnert aan een gebeurtenis bij de grottempel te Bhaja, meer naar de westkust, aan het begin van de 90-er jaren van de 20ste eeuw. De grot was inmiddels door een hindu-stroming in gebruik genomen, en buiten, voor de grotopening slachtte een priester (op de ook bij Joden en Moslims bekende manier) een geitje als offerande voor we-weten-niet-wat.

Over het besluit van redacteur Ahuja, dat men in dit boek het Sanskriet zou gaan hanteren, heeft enkel woordje een plaats gekregen in de aanhef tot de bodhisattva-pagina. Daarbij kan als vrolijke noot toegevoegd worden dat deze redacteur dan wel terecht problemen heeft met het "X jaar BCE" of "Y jaar CE" ("voor christus", na christus") — dat probleem heb ik ook — maar dat neemt niet weg dat Skilling even zo vrolijk de naam "pontiff" hanteert, niet bepaald voorkomend in het woordenboek boeddhisme.
Ook zien we diens opgetrokken bovenlip bij de behandeling van bijvoorbeeld een werk als de srilankaanse Mahāvámsa, de Grote Kroniek. Tussen de regels lezen we een "het zijn allemaal fantasten en leugenaars tenzij wij, de westerse academici meer dan een geschreven bevestiging vinden van wat ze beweren." Daarbij gaat hij er, evenals anderen van uit dat zodra iets op schrift staat het waar is, en dat wat niet op schrift staat verzinsels zijn. Is alles dat op schrift staat waar? Dit overigens prachtboek over Phanigiri bewijst dat dit niet altijd het geval is.
Er blijft in "Phanigiri, Interpreting an ancient Buddhist site in Telengana" genoeg lezens- en kijkenswaard over; de doorsnee lezer glijdt over de missertjes heen als over 7 nachtjes ijs.

(1) Phanigiri p. 135: "Rudrapurushadatta, the last king of the Ikshvaku dynasty, whose reign is dated roughly to the first quarter of the 4th century AD."
(2) A. Bareau, Les sectes bouddhiques du petit véhicule, Paris 1955, pp.81-83
(3) Bareau, pp.114-120; van deze stroming is geen enkel tastbaar overblijfsel te vinden behalve dan hun stellingen waar verschillende reizigers-monniken verslag van deden.
(4) http://www.buddha-dharma.nl/kalachakra-geschiedenis.html
(5) Upon the antiquity and methods of gold mining in ancient India, F.R. Allchin, Cambridge/Leiden, 1962, p. 209: "...the beginning of large scale mining may be expected to coincide with the period of Mauryan colonisation of the Deccan around the end of the 4th century B.C. This would allow some five or six centuries for the main mining activities. It may be argued that for such operations to have started at that time the report of gold deposits in an area so remote from the centre of the Mauryan kingdom must have first reached it, and thus that some sort of mining must already have been going on. There are several indications that this is indeed the case. ..."



Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme