LANKĀVATĀRA SOETRA


De Afdaling op Lanka

Noten bij hoofdstuk 1



   
Toelichting bij tekst 1

Hier vaart Boeddha over zee en brengt een bezoek aan Naga-land, dat vandaag ruwweg Tamil Nadu en een deel van Andhra Pradesh omvat. Naga kan in dit verband vertaald worden met zeedraak of zeeslang.
Stel dat Charles Allen (Coromandel, London 2017) gelijk heeft wanneer hij meent dat de Arya vanuit de centraal-aziatische steppen India binnentrokken, dan heeft hij waarschijnlijk ook gelijk wanneer hij zegt dat deze vroege migranten de in tropische streken levende koningscobra, volwassen lichaamslengte ca 3 m., niet kenden. Indien dat bewezen of aannemelijk gemaakt zou kunnen worden, dan is zijn opvatting aannemelijk dat deze Arya, geschrokken, bang, en niet wetend wat te doen anders dan in stukken hakken, in eerste instantie de aartsvijand van de cobra werden, om er na verloop van enkele eeuwen aan te wennen en hen op te nemen in vedische (zie 'veda') rituelen. En wanneer dat aannemelijk is, begrijpen we waarom vanaf een zekere tijd de zuidaziatische trapleuningen van boeddhistische tempels voorzien zijn geworden van cobra-achtige wezen: de monniken hadden hen getemd; ze wisten wel raad met kwaaie apen.
Allen toont overigens ook (Coromandel p. 62) dat de jaďns, de andere 'seculiere' religie van India, ook tot een soort cobra-verering zijn overgegaan. Een bas-relief in Tamil Nadu toont een van de tirth-ŕnkara'overstekers' (zie uttaraná) — Parsh-vanáth, met een meerkoppige cobra boven zijn hoofd, zoals ook Sakyamuni Boeddha (zie 'uitspraak'; of Gótama, of Gŕutama Boeddha) in het minimeertje te Bodhgaya is afgebeeld met een veelkoppige cobra boven zijn hoofd. Hij zowel als Parsh-vanáth, zo zeggen de legenden, werd door dit dier beschutting tegen regen en onweer aangeboden. Wie het eerst kwam met deze legende, de jaďns of de boeddhisten .... waarschijnlijk waren het de jaďns, want Parsh-vanáth zou op de grens van de 9de en 8ste eeuw vWJ hebben geleefd, dus enkele eeuwen voor Boeddha. We moeten ook bedenken dat de indigenen van met name zuid-India gewend waren aan de aanwezigheid van de cobra, en we zouden ons kunnen voorstellen dat ze, geconfronteerd met de schrikreacties van relatieve nieuwkomers hun al bestaande slangenverering een beetje hebben aangedikt: wěj schrikken niet zo gauw.
Nu begrijpen we waarom, in tegenstelling tot de europese mythologie, de aziatische draak — we noemen hem/haar nu bij de bekende naam: naga (g als in 'good') — een gelukbrengend wezen is geworden: eenmaal getemd zorgt hij/zij bijvoorbeeld voor regen, en hij/zij ziet ook met zorgzaamheid toe op diegenen die de Boeddha-Dharma in praktijk brengen.

Hierna wordt gesproken over de demon Rāvana. Dat is een karakter dat is overgenomen uit het hinduďsme. In die legende maakt Rāvana er een potje van en moet verschijnen voor Ishvara, de godheid: waarom hij dat gedaan had, en of het niet anders kan. Met name de thaise boeddhisten hebben dan het idee geďntroduceerd waarbij iedereen een tweede kans krijgt. Dit wordt ook een legende. Rāvana belooft Ishvara in zijn volgende leven te dienen, en Ishvara antwoordt met te zeggen dat, zodra hij wedergeboren is, (let op: die hindu-godheid is niet voorbij leven en sterven) hij Boeddha zal zijn, en dan mag Rāvana zijn tempel bewaken. Zo gezegd, zo gedaan. Dus de angstaanjagende figuur buiten de thaise tempel die zijn vuist de hoogte in heft is Rāvana: kom niet aan Boeddha, want dan krijg je met mij te maken!

In de antieke cosmologie was de wereld een platte schijf. Waar de zeelui die over de kim verdwenen nu precies naar toe gingen, dat wisten weinigen. Dus wellicht gingen ze naar een of ander mysterieus land, een Naga-land. In deze Soetra vaart de Boeddha voorbij het eiland Lanka. Op deze manier toont hij zijn aanwezigheid en stelt de bewoners, inclusief de demon Rāvana die Lanka in zijn greep heeft, in staat zich voor te bereiden op zijn komst. Zijn schip verdwijnt over de einder, en wanneer hij na zeven dagen, omstuwd door een enthousiaste menigte, meegereisd vanaf een verre kust weer aan de horizon verschijnt is hij, uiteraard zeggen vele Lankanen dan, in Naga-land geweest, en zijn zijn vreemde begeleiders die er anders uitzien, zich anders kleden, een andere taal spreken en zich anders gedragen ongetwijfeld "Naga-lui", Nagakányas. Dat maakt indruk op Rāvana, temeer daar Boeddha ook wordt vergezeld door Sakra (Indra) en Brahma, de Oppergoden over hemel en aarde. Rāvana kennen we uit de hinduďstische epen. Rāvana was geen boeddhist, en daarom benaderde Boeddha hem met symbolen en voorstellingen die pasten in zijn culturele bagage. In deze hele episode zien we dus wat wij in het boeddhisme noemen Boeddha's upaya, een vlot en vaardig middel. Dit keer wordt upaya ingezet om vredig en waardig een eiland te kunnen betreden waar de tienhoofdige Rāvana heerst. Om dat eiland succesvol te kunnen betreden zijn nu, op dit moment, de voorwaarden en condities vervuld: de winden zijn gunstig, de Boeddha vaart langs, de eilandbewoners hebben voldoende "good roots" om de lang niet makkelijke Dharma te kunnen ontvangen, en Rāvana staat op het punt te veranderen van een gewelddadige demon in een vredig wezen. Dat de eilandbewoners "good roots" hebben wordt geďllustreerd door de passage waarin Rāvana zegt dat zijn onderdanen weinig last van hebzucht hebben, en bovendien vermeldt de tekst dat de bergtop is verfraaid met kostbare edelstenen. Edelstenen staan in boeddhisme voor perfecte kwaliteiten. Zo staat diamant voor verlichting, en vertegenwoordigt lapis lazuli perfecte moraliteit. Rāvana werd door de aan het boeddhisme voorafgaande hinduďstische gemeenschap daarom zo'n gemenerik gevonden omdat hij koeien wilde slachten, zelfs de heilige. De latere centraal-indiase en srilankaanse boeddhisten nemen het dan voor de demon op — barbaar, zouden we vandaag zeggen: helemaal geen gemenerik, hij was nog heel geciviliseerd op de koop toe. ("Barbaar" zou, samen met termen als "vooruitgang", "vrijheid", "gelijkheid", en "gerechtigheid" een sofisme genoemd moeten worden; het zijn termen die niet eensluidend, en mondiaal geldend, gedetermineerd kunnen worden.)


Op Sri Lanka, waar volgens bronnen deze soetra speelt(*), is een legende (of een historisch feit, 't is maar hoe je het bekijkt) levend die zegt dat Boeddha dit eiland drie keer heeft bezocht. Een van die keren zou hij het eiland bezocht hebben negen maanden na zijn Ontwaken, tijdens de vollemaanperiode van Phussa dat in december-januari valt. Hoewel Boeddha's Leer pas een paar eeuwen later door de zoon en dochter van koning-keizer Asoka naar Sri Lanka werd gebracht, voorzag hij bij deze gelegenheid dat de Dharma ooit op dit eiland gevestigd zou raken. Om dat proces te bespoedigen, zo wordt gezegd, predikte hij ten overstaan van de Yakka-clan, die daarop besloten zich op een ander eiland te vestigen, op Giri.
Yakka is een Pali-woord voor het Sanskriet Yaksha of Yaksa. We moeten er van uitgaan dat de beschrijving van de Yaksha in dit eerste hoofdstuk van de Lankávatara soetra een reactie is op deze sinhalese legende. In deze legende worden de Yakka (of Yaksha) voorgesteld als een volk dat Boeddha's Leer niet wilde of kon aanvaarden en daarom vertrok naar andere oorden. In de Lankávatara soetra wordt met grote nadruk gezegd dat de Yaksha Boeddha's toespraken erg waardeerden en ook bereid en in staat waren om wat hij hen voorhield in praktijk te brengen.
We mogen veronderstellen dat ook hier de discussie speelde over de inherente boeddhatuur, of anders gezegd, over de ingeboren mogelijkheid van alle wezens om op kortere of langere termijn de Dharma te begrijpen en tot realisering te brengen. Het onderwerp wordt vooral verwoord in zowel de Lotus soetra als in de Mahāyana Mahāparinirvāna soetra, twee latere geschriften van het Grote Voertuig. Het vormde een contrast met leerstellingen die aan deze twee latere leerstukken voorafgingen, en het onderwerp is lange tijd een diepgaand verschil van mening geweest tussen de oude en de nieuwe scholen van het boeddhisme, maar nu niet meer.

Zie voor upaya tekst 9 van Het Ontwaken van Geloof in de Mahāyana, eveneens onderdeel van deze site.
(*) Een archeologisch onderzoek uit 1909 aan de stūpa van Sīgiriya op Sri Lanka toonde hoe in de onderste van drie opengebroken en leeggehaalde relieknissen een paar platen van marmer uit Amarāvatī in India werden gevonden waarop in vage lijnen Nāga-figuren waren ingekrast. Amarāvatī, als oord waar boeddhisme werd beleden, floreerde tussen de 2de eeu vC en de 3de eeuw nC. De platen tonen een belangrijke Nāga-verering op Sri Lanka.

1. - Boeddhalanden. In het volgende boek van de Lankā, tekst 34 lezen we: "Er is geen Boeddhaland waar woorden bestaan; Mahāmati, woorden zijn constructen."
Deze zin wijst al enigszins in de richting van de latere interpretatie van "boeddhaland" als meditatief bereik.
Het woord "boeddhaland" als meditatieve staat komen we in de vroegste canonieke teksten niet tegen. Dat wil zeggen dat zijn tijdgenoten het vaak hadden over de historische Boeddha's meditatie, maar nooit de brutaliteit hebben opgebracht om dat te gaan beschrijven.
Het is pas in Buddhaghosa's Visúddhi-mágga, een veel later, semi-canoniek werk, dat we drie "Boeddhalanden" tegenkomen, waaronder het visáya-khčtta, domein van kennis, het derde is. (Het Pali Khčtta en het Hybrid-Sanskriet Ksétra betekenen "veld" of "domein", of "land".) Met het aan het licht komen van de redelijk late Reine Land-soetras van het mahāyāna die gecentreerd zijn rond Amitābha Boeddha's Sukhāvati, zijn latere stromingen op de proppen gekomen met andere reine landen waaronder het oostelijke, dat van de Helende Boeddha nog het bekendst is geworden.
Een veel vroeger mahāyāna-werk als de Avatámsaka soetra, heeft het veelvuldig over "boeddhalanden" als een soort al dan niet gevisualiseerde parallelle planeten, en stelt het voor als praktijken die naar Boeddhaschap leiden. Daaronder moeten we "vervolmaken van boeddhalanden" eerder verstaan als een aanscherpen van wijsheid en het realiseren van "wortels van het goede", meer dan "mediteren". De auteurs van de Lankā en die van de Avatámsaka zaten wat dat betreft ieder op een iets ander spoor.

2. - Bodhisattva-Mahāsattva. Zie de bodhisatvas-pagina, en ook het zesentwintigste boek van de Avatámsaka Soetra.

3. - Mahāsattva. Mahā betekent Groot, en sattva betekent wezen. Letterlijk staat hier dus Groot Wezen. Dit is een titel voor Bodhisattvas die Boeddha's Verlichting hebben gerealiseerd en nu die formidabele Boeddhakracht in de wereld aanwenden om anderen naar die zelfde staat te brengen. Bodhisattva-Mahāsattvas zijn min of meer gespecialiseerd. Groot Mededogen wordt Avalokiteshvara genoemd. Grote Wijsheid heet Manjushri. Perfecte (meditatieve) Activiteit heet Samántabhadra, enzovoorts. Echter, Grote Wijsheid toont zich in Mededogen, en Perfecte Actie gaat niet zonder Wijsheid; de Bodhisattva-Mahāsattva's specialisatie is niet eenzijdig of star. Zie ook de pagina over Manjushri bodhisattva.

5. (tkst 44) - "Het relatieve weten" heeft te maken met het begrip samvrti satya, de 'relatieve waarheid'.

Hier wordt het verwoordt met "vikalpa": onderscheiden. Hoewel in deze Yogacara-paraktijk alle onderscheiden wordt afgewezen, komt het begrip toch een aantal keren terug, zowel als gewoon maar "onderscheiden", als dat "Juist Onderscheiden" waarbij de gearriveerde yogin toch even achterom kan kijken om te zien dat het goed was.
Verder hebben we nog het begrip "onderscheid-aanleggen" dat in het Sanskriet prapanca (prapándzja) heet en dat in alle gevallen verkeerd is. Het staat voor het wikken en wegen, het gebabbel in de geest, voor de verslaving overal een ja/nee-mening over te moeten hebben, voor de obsessie alles te moeten beoordelen in termen van relatieve, respectievelijk absolute waarheid, en voor de verkeerde zienswijze fenomenen te moeten verdelen naar "bestaan" of "niet-bestaan".

6. (2de alinea) - De tien krachten en de zes bovennatuurlijke vermogens.
De Dasa(=10)-Nipāta(=deeltje) van de Pali Angúttara Nikāya, de Sīhanādasutta (de Leerrede die de 'Leeuwenbrul" van Boeddha wordt genoemd), geeft deze tien, de dasa-balanana, als volgt:
1/ Thanatthana ñāna - de kennis van de werkelijkheid, het zien dat het mogelijke mogelijk is, en dat het onmogelijke onmogelijk is;
2/ Kammavipāka ñāna - kennis over de resultaten van handelingen uit het verleden, heden en de toekomst;
3/ Sabbathagāmini ñāna - kennis van het pad dat leidt naar het welzijn van alle wezens;
4/ Aneka-dhātu ñāna-dhātu loka-ñāna - kennis van de wereld met zijn verschillende elementen;
5/ Ñadhimuttikata ñāna - kennis van de verschillende inclinaties der wezens;
6/ Índriya paropariyatta ñāana - kennis over de verhevenere en lagere faculteiten (vermogens) van wezens;
7/ Jhānadi Samkilesa Vodanavutthana Ñāna - kennis over de mentale bezoedelingen, de zuiverheid, het 'opstijgen' in jhāna (dhyāna), concentratie, dat wat bereikt is, etc.;
8/ Pubbenivasa ñāna - kennis van voorgaande levens;
9/ Cutupapata ñāna (of dibbacakkhu ñāna) - met het supranormale zien waarnemen hoe mensen verdwijnen (overlijden) en weer verschijnen (geboren worden), afhankelijk van hun karma;
10/ Asavakkhaya ñāna - kennis over het uitdoven van alle mentale verslavingen en bezoedelingen.
Dit is de Arahatta-maggaña ñāna, het pad en de kennis van de Arhat.

In de Mahāyana-compilaties zijn de tien: kennis van voorgaande bestaansvormen, bovennatuurlijk vermogen tot horen, kennis van andermans geest, bovennatuurlijk gezichtsvermogen, bovennatuurlijke kracht of vermogen, op alle plaatsen vele vormen kunnen aannemen, het vermogen bezitten om glorie over je eigen leefsfeer te kunnen afroepen, het tonen van een transformatie-lichaam (je in andere, vele gedaanten kunnen voordoen), de macht om kwaad en wedergeboorte een halt toe te roepen.

De door Sten Konov gerestaureerde Sanskriet-tekst van de Dasa-sahásrika Prajñā-paramitā, een van de kortere compilaties van de "Perfectie van Wijsheid", geeft de volgende opsomming:
1/ Hij [Boeddha] weet wat de juiste plaats [voor diepgaande meditatie] is, en wat niet de juiste plaats is;
2/ Hij kent de vrucht [van handelend leven]; hij kent de plaats ervan en de oorzaken in het verleden en de toekomst, en hij kent het huidige handelen en hoe dit zich [als een karmische voorraad] opstapelt;
3/ Hij is juist op de hoogte van de vele verschilende componenten van de wereld;
4/ Hij heeft de juiste kennis over de verschillende, de vele inclinatie der wezens en mensen;
5/ Hij heeft de juiste kennis over de hogere en lagere gradaties in faculteiten [mogelijkheden] van andere wezens en mensen;
6/ Hij weet naar waarheid hoe het Pad zich in alle richtingen uitstrekt;
7/ Hij heeft de juiste kennis over de [mentale] bezoedelingen, de pacificatie, het oprijzen [het licht of opgewekt worden van de geest], de faculteiten, de krachten, de kenmerken van verlichting, de bevrijdingen, de meditaties, de concentraties, het Bereiken;
8/ Hij herinnert zich zijn vele voorgaande levens;
9/ Hij weet naar waarheid hoe wezens verdwijnen en weer verschijnen;
10/ Omdat de mentale bezoedelingen in hemzelf verdwenen zijn bereikt hij de onbezoedelde bevrijding van de geest en wijsheid, nog in dit leven: -- voor mij is er geen wedergeboorte meer; ik heb een zuiver leven geleefd; ik heb gedaan wat gedaan moest worden; ik weet dat er hierna geen worden meer is.


De Sanskriet-tekst luidt:
1/ sthānam sthānato yathābhūtam prajānāti, asthānam asthānato yathābhūtam prajānāti.
2/ atītānāgatapratyutpannānām karmanām karasamādānānām ca sthānaso hetus vipākam yathābhūtam prajānāti.
3/ anekadhātunānādhātulokam yathābhūtam prajānāti.
4/ parasattvānām parapudgalānām nānādhimuktikatām anekādhimuktikatām yathābhūtam prajānāti.
5/ parasattvānām parapudgalānām indriyaparāparatvam yathābhūtam prajānāti.
6/ sarvatragāminīm pratpadam yathābhūtam prajānāti.
7/ indriya-bala-bodhyanga-vimoksa-dhyāna-samādhi-samāpattīnām samklesa-vyavadāna-vyutthāna-jñānam yathābhūtam prajānāti.
8/ anekavidham pūrvanivāsam anusmarati.
9/ sattvānām cyutyupapattim yathābhūtam prajānāti.
10/ āsravānām ksayād anāsravām cetovimuktim prajñāvimuktim drsta eva dharma svayam abhijñāya sāksātkrtyopasampadaya viharati: ksīnā me jātir usitam brahmacaryam krtam karanīyam nāparam asmād bhāvam jānāmīti.


Zie voor de tien supranormale vermogens van de Bodhisattva boek 28 van de Avatámsaka Soetra.

De 6: 1) kennis van bovenwereldse oorden; 2) het vermogen om hemelse wezens te zien, of te zien zoals een deva, een hemels wezen, ziet; 3) het vermogen deze wezens te horen, of te kunnen horen zoals zij; 4) kennis van anderman's geest; 5) kennis over de aard en plaats van wedergeboorte; 6) bezit van de perfecte wijsheid om aan morele obstakels en onwetendheid een eind te maken.

Hoofdst. I. al. 2: - Samādhi. Een aardige vertaling hiervoor is het duitse woord Versenkung. Samādhi is een meditatieve praktijk of meditatieve staat.

Voetnoten 7 en 8 op de bijlage

9. - De acht Vijñānas. Dit zijn de vijf zintuigen met denken als zesde, plus een bewustzijn dat al deze 6 aanstuurt en overschouwt, plus het Opslagbewustzijn waarover nog uitgebreid gesproken zal worden.
Hier en daar zien we hoe bewustijn of de geest (vijñāna) als een geheel wordt gezien, dat slechts in het relatieve denken uiteenvalt in diverse onderdelen.

10. - Tathāgata. Zo-gekomene of Zo-gegane, een van de titels van Boeddha.

11. - Geleerden, Toehoorders (srāvakas) en Zelf-Verlichtten (Pratyekaboeddhas). De laatste twee bevinden zich in het Kleine Voertuig.

12. - Rákshasa. Een van de niet-menselijke bestaansvormen.

13. - Gāthā. Zang of lied.
Er zijn een aantal woorden die de vedische traditie van India en de vroeg-perzische religies gemeen hebben. Gatha is er een van. In het perzische geval wordt het woord gebruikt wanneer gesproken wordt over de op schrift gestelde zangen van of over Zarathustra. Een ander gezamenlijk woord is daeva in het vroeg-perzisch, en deva in het sanskriet, een hemels wezen van redelijk ondergeschikt belang. Nog een gezamenlijk woord is Haoma of soma. Een vierde gezamenlijk woord is Sarásvati. In de vedische leer staat het woord zowel voor een verborgen rivier als voor de godin van wijsheid.
De drie eerste woorden komen ook in het boeddhisme voor, met een aangepaste betekenis.
Onderlinge betrekkingen tussen volkeren op dat deel van het continent betekende ook een migreren, herinterpreteren, en indigeniseren van verschillende religieuze concepten.

14. - Súgata. Welgegaan; een titel voor Boeddha.

15. - Apsaras. Hemelse mannen en vrouwen; in boeddhistische iconografie voorgesteld als muzikanten.

16. - Yakshas. Oorspronkelijk "een lichtflits" waargenomen bij nacht. Later geďnterpreteerd als een niet-menselijk wezen.

17. - De wereld-van-objecten. boeddhisme heeft het over Twee Waarheden: de Relatieve Waarheid en de Absolute Waarheid. De eerste, de Relatieve Waarheid vinden we in de wereld van dingen of objecten, of fenomenen om ons heen. Daar kunnen we zeggen "de hemel is blauw"-- en dat doen we dan ook, we blijven redeneren over de wereld zoals die zich aan ons voordoet. Op het tweede vlak, dat van de Absolute Waarheid gaan we over die Relatieve Waarheid heen en realiseren dat die hemel niets "vastigs" heeft, geen kern ("zelf" genaamd) en dat onze ervaring ervan afhankelijk is van wat we zoal aan ervaringsmogelijkheden naar dit leven hebben meegebracht, alsook van wat we menen te weten over concepten als "hemel" en "blauw". Die Absolute Waarheid realiserend is ons bewustzijn rustig en onbewogen. Maar zolang we ons nog op het vlak bevinden van de Relatieve Waarheid zijn al die meningen, weetjes, overwegingen, vragen, als de wind die het in principe rustige water van een oceaan, of in ons geval de geest, opzweept. Die wind te doen ophouden, dat is de meditatieve weg van boeddhisme. Is dat gelukt dan toont zich de hoogste waarheid die zelfs voorbij het weten van niet-zelf, afhankelijk, voorwaardelijk ontstaan gaat.

18. - Het getransformeerde en het transformeren (punt 2 van Rāvana's gāthā). Veel wordt gesproken over de Boeddhas' en Bodhisattvas' vermogen om zogenaamde transformatie-lichamen te doen zien. Daar is echter ook een andere interpretatie mogelijk, en wel de wetenschap dat het bewustzijn getransformeerd kan worden, dat er een dramatische omwenteling kan plaatsvinden richting Boeddhaschap.

19. - Het Grote Voertuig. Grofweg kent boeddhisme twee paden waarlangs geoefend kan worden: het Kleine Voertuig, vaak de orthodoxie genoemd, en het Grote dat in het verleden reformatie heeft toegelaten.

21. - Drievoudige wereld. De werelden van verleden, heden en toekomst.

22. - Vers 18. Hier krijgt Boeddha de naam Mahāmati, de naam die we overigens tegenkomen als die van Boeddha's interlocuteur. In veel Mahāyana soetras, zoals de Bloemenkrans soetra, zien we dat Boeddhas uit een bepaald boeddhaland, en de bodhisattva-mahāsattva die hem daar als het ware vertegenwoordigt dezelfde naam dragen. Dit is gedaan om aan te tonen dat de Bodhisattva-mahāsattva die voorbij het negende stadium is gekomen identiek is aan Boeddhaschap. Zie voor "stadium" de desbetreffende aantekeningen.
Wanneer we kijken naar een aantal boeken uit de Avatamsaka soetra, dan zien we dat het Boeddhaland aangeduid wordt met "Weten", of "kennis."

23. - Vers 22. Eenzelfde uiting vinden we in de Bloemenkrans Soetra: "Met hun oog van wijsheid zagen ze [de Bodhisattvas] de waarheid - een meteloos rijk. "Kennis" was de naam van hun land. Wijds was het, uitgestrekt, grenzeloos, als de ruimte." (Zie de aanhef tot de geversificeerde passages uit het boek Zangen vanuit Tushita.)

24. - vers 33-37. In deze verzen herkennen we de filosofie van de Bloemenkrans Soetra (Avatámsaka) waarin bij voortduring wordt herhaald hoe een sfeer of wereld alle andere insluit en hoe in al die gemanifesteerde sferen, Boeddhalanden genaamd, allen die aanwezig zijn op het moment en op de plaats van Boeddha's uiteenzetting, Lanka in dit geval, zich tegelijkertijd ook in al die andere sferen bevinden, en hoe daar exact hetzelfde geschiedt als in de tekst die nu, hier, gesproken wordt. Het is het belangrijkste kenmerk van de chinese Huayen (Bloemenkrans soetra) filosofie, waar meesters zoals Fazang benadrukken hoe alle dingen elkaar insluiten of omvatten zonder dat dit leidt tot verlies van eigen vorm van die dingen of wezens.

25. - vers 34. Boeddhaland is een veelomvattend begrip. Het wordt gezien als een al dan niet mentale sfeer van zuiverheid waarover een Boeddha zich ontfermt. Diezelfde filosofie volgend wordt ook gezegd dat een boeddhaland je binnenste is, in zijn meest pure staat. De Himalaya-tradities en een deel van de oost-aziatische zeggen dat dit de getransformeerde staat van geest is die je op het moment van overlijden kunt binnengaan. De zen en daarmee gelijkstellende tradities gaan ervan uit dat deze transformatie - revolutie, zegt D.T. Suzuki - al tijdens dit leven bereikt kan worden. Wanneer dan een tekst als de Lanka zegt dat bodhisattvas "vele boeddhalanden" hebben bezocht, betekent het dat ze ofwel op vele grenzen van een leven naar een ander die getransformeerde staat zijn binnengegaan, ofwel dat ze tijdens dit of vele levens vele verlichte(ende) momenten hebben ervaren.

26. - vers 37. Dat wil zeggen, de Boeddha sprak de Soetra over de Afdaling op Lanka. Sommige vertaling zeggen dat hij "honderdduizend perfecte soetras" sprak, maar hier wordt vastgehouden aan de versie waarin hij zijn perfecte stemgeluid op vele manieren laat horen - dat perfecte stemgeluid dat een van de kenmerken is van een "Mahāpurusha", een Groot Wezen.

27. - vers 42. Dharmatā en sunyatā. Dharmatā is een moeilijk begrip. Het wordt vertaald met "aard zoals het (nu eenmaal) is", " de aard van de bevrijdde", "ware aard", "weg of aard van de fenomenen of de dingen". We kunnen het niet vertalen met "zoheid" omdat zoheid in 't Sanskriet "tathāta" is. Dharmas zijn "de dingen", "alles in en aan het universum". Als we het achtervoegsel -ta zien als de Instrumental, dan impliceert het begrip dharmatā dat de dingen gebruikt worden, ja zelfs nodig zijn, om de ware staat aan te duiden. In deze analyse is de logische volgende stap het zien dat de dingen (dharmas) en het absolute "gelijk", "hetzelfde" zijn. Je kunt de verhevenste staat niet realiseren zonder dat er de dingen in de wereld zijn, en vanuit die verhevenste staat gezien zijn de dingen van de wereld niet anders dan het Absolute zelf. Of zoals de Hart soetra zegt: "Vorm is sunyatā, en sunyatā is vorm." Sunyatā is dan dat conglomeraat van niet-zelf of kernloosheid, veranderlijkheid, en afhankelijkheid van voorwaarden en condities - de dingen gezien als illusoir.

Sunyatā: Om met hele grote stappen door de geschiedenis te gaan; de oudste teksten spreken over anattá, niet-zelf (atta = zelf, an is een ontkennend voorzetsel). Daar zegt Boeddha dat in de mens een eeuwigdurende vaste onveranderlijke kern afwezig is. De eerste Mahāyāna-geschriften, na de Prajńāparamitā-teksten, breiden het concept van het ensloze uit naar alle ademende en niet ademende fenomenen. Op dat moment komt het woord sunyatā pas werkelijk in beeld. De jongste teksten van de Theravāda-geschriften, die rond het begrip anattá, met name de Grote en Kleine Sunyatā Sutta uit de Majjhima Nikāya, zetten zich daar tegen af door het oorspronkelijke concept van anattá nog eens nadrukkelijk op te voeren.
Het duurt dan tot de generatie van de monnik-vertaler Kumārajiva, rond het jaar 400, voordat wordt gezegd dat alles dat ontstaat, bestaat en vergaat als gevolg van onderliggende voorwaarden en condities vlietend en voorbijgaand is, en dus sunyatā, ledig. Uiteindelijk resulteert dit in een generatie die een stem krijgt in de Lankāvatāra soetra die zegt dat al het vlietende illusoir is, en dat dit illusoire is-gelijk sunyatā is.
Deze laatste opvatting weerspreekt het aanvankelijke concept van anattá niet; het is alleen zo dat de eerste generatie(s) de noodzaak niet zullen hebben gevoeld in zo'n radicale zin te spreken over het ledig zijn van essentie, en dus van het vlietende van alle dingen in de wereld. Het vlietende werd wel uitgebreid benoemd, maar niet gedefinieerd als ledig, sunyatā.

28. - Vers 44. Boeddha zien is, in de filosofie van de Lanka (en van zen), afstand gedaan hebben van discursiveren. Die stille staat-van-geest is zowel Boeddha, verlichting zelf, als dat wat die stille geest al dan niet meemaakt.
Het lijkt er op dat ook dit leerstuk gebaseerd is op de oudste tekstlagen. In de Sutta Nipāta, behorend tot de Pali-canon, in de Ajitamānavapucchā (PTS F.188: 1037) krijgt de kersverse monnik Aadjita het volgende te horen: "... (het koppel) naam en vorm kan tot een volkomen eind gebracht worden door het ophouden van het denken (vińńāna)." "Naam en vorm" is een technische term voor wat we vandaag lichaam en geest noemen; ze zijn onafscheidelijk. "Het denken" is hier een vertaling van het Pali-woord vińńāna. Zoals boven gesteld lopen in de oude teksten de verschillende aanduidingen voor denken, geest, en bewustzijn door elkaar.
( ... yatta nāmań ca rūpań ca asesam uparujjhati: vińńānassa nirodhena etth' etam uparujjhati.)



Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme