MAHĀYĀNA SRADDHOTPĀDA SHASTRA


Het Ontwaken van Gelovig Vertrouwen in de Mahāyāna

De commentatoren





- Voorwoord

- De tekst

- De Woordenlijst

- De Soetras-pagina



De Mahāyāna Sraddhotpāda shastra is door een drietal gerenommeerde monniken van nader commentaar voorzien. Dit waren de monniken Hui-yuan (523 - 592), Fazang (Fatsang - 643 - 712) en Wonhyo (617 - 686). De eerste twee waren van chinese origine, de laatste was een Koreaan.

HUI-YUAN

De Hui-yuan waarvan hier sprake is, is een andere dan de stichter van de Zuiver-Land-traditie die rond het jaar 390 leefde.

De Hui-yuan die deze shastra van commentaar heeft voorzien leefde tussen 523 en 592 en was de auteur van een "verzamelwerk (of lexicon) van klanken en betekenissen. Hij werd in de noordelijke grensplaats Dunhuang geboren, daar waar de Zijderoute China binnenkwam, en waar we de vele en grote in de rotsen uitgehouwen tempelgrotten vinden. De periode waarin hij leefde was die van keizer Wu uit de Chou-dynastie, die overigens Boeddhisme een tijdlang in de ban deed - van 574 tot 577. Het keizerlijke argument daarvoor was dat de monniken - monnik zijnd en dus vrij van familiebanden, hun kinderplicht (filial piety, 'eert uw vader en uw moeder') niet vervulden. Hij argumenteerde voorts dat Boeddhisme een buitenlandse religie was, geen product van Chinese bodem, en dus verwerpelijk. Onder hen die deze woorden aanhoorden was Hui-yuan de enige die van repliek durfde dienen. Hij verklaarde dat monniken door voorbeeldig te leven wel degelijk, en wel in de hoogste zin hun kinderplicht vervulden. Hij stelde voorts vast dat zowel China als India deel waren van een en dezelfde wereld, daarmee implicerend dat de gedachtegang des keizers enigszins provinciaals was. Hoewel de keizer geen antwoord wist op deze woorden kwam er geen onmiddellijk eind aan de onderdrukking. Pas nadat de situatie in 577 weer was genormaliseerd - althans waar het de status van Boeddhisme aangaat, ving de Sui-dynastie onder keizer Wen aan en keerde Hui-yuan terug naar de hoofdstad Sian (Ch'ang-an). Daar zette hij zich aan het verzamelen van het bovengenoemde lexicon en gaf hij lezingen, onderandere ten overstaan van keizer Wen. Het verzamelwerk bevat vijf delen en tweehonderdnegenenveertig onderwerpen.

FAZANG

Fazang wordt de derde patriarch van de Hua-yen-(Avatámsaka of Bloemenkrans) traditie genoemd. Zijn Sanskriet-naam luidt dan ook Avatámsaka. In tegenstelling tot wat wel beweerd wordt is de Hua-yen-traditie verre van dood en begraven en vormt ze met haar leer die de complete verbinding legt tussen het fenomenale en het Absolute het hoogtepunt van Chinees Boeddhisme. Fazang werd in Sian geboren en genoot als monnik keizerlijke bescherming. Hij schreef een verhandeling over de "Innerlijke Betekenis van de Hua-yen; Het Eind aan Begoocheling en Terugkeer naar de Bron." Met name het Ch'an-(Chinese Zen)boeddhisme ontleent hier inspiratie aan.

WONHYO

Wonhyo leefde tussen 617 en 686, ten tijde van de Shilla-dynastie. Hij was, en is, verreweg de invloedrijkste vertegenwoordiger van Koreaans Boeddhisme, een vorm van Boeddhisme die door alle betrokkenen als syncretistisch wordt bestempeld. Waar commentatoren uit Japan, India, Tibet en Sri Lanka in het westen enige, en soms grote, bekendheid kregen, zijn die uit Korea tot nu toe nagenoeg in de schaduw gebleven, ongetwijfeld mede als gevolg van onbekendheid met taal en landscultuur. Tegen het eind van de twintigste eeuw werd de International Association of Wonhyo Studies opgericht en onder deze vlag zijn sindsdien een achttiental academici bezig gegaan het uitgebreide werk van Wonhyo te vertalen naar het Engels. Die werkzaamheden waren aan het begin van de eenentwintigste eeuw gereed.

Latere vertalers van de Mahāyāna Sraddhotpāda shastra hebben ruimschoots gebruik gemaakt van de commentaren der bovengenoemde drie.