Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






De stoepa en het reliek



Augustus 2015 / april 2018
       Een aantal voormalige Zijderoutestaten, bijvoorbeeld Tajikistan, hebben het boeddhisme-toerisme ontdekt. De daar actieve toeristen-bureaus menen de toerist ook inhoudelijke informatie te moeten verschaffen, en dan krijg je dat.
Zo wordt de stoepa dezer jaren aangeduid met (ook) "tempel". Een tempel is een bouwwerk waar je in kunt om iets te doen. Met een stoepa is dat per definitie niet het geval. Een stoepa, of in de Himalayas een chorten, staat soms op het terrein van een tempel, maar niet altijd. Vaak genoeg staan ze als een denkmaal langs een ooit veel begane route. Dezer jaren wordt soms een tempel gebouwd in de vorm van een mega-stoepa, maar dat is mode die niet lang stand zal houden. In dat geval wordt dan een basis gebouwd waarin een of andere hal is gesitueerd, en daarop torent dan de stoepa als zodanig.
       Niet met het Prakrit bekende indiase taalkundigen zijn er toe overgegaan de in rotsen uitgehouwen stoepahallen chaitya te gaan noemen (spreek: tsjàj-tja). Wat in Thailand en omstreken een chedi is gaan heten (spreek: tsjeedi) is in het Prakrit, een soort-van Sanskriet, een chaitya, en de in een grot uitgehouwen hal is een griha. Een chaitya-griha is dus een "stoepa-hal", en niet, zoals het gemakzuchtig wordt genoemd een "prayer-hall".

Juni 2010


In het Pāli-manuscript dat de laatste dagen van Boeddha op aarde behandelt vinden we de passage dat hij zijn monniken opdracht geeft over zijn stoffelijke resten een stoepa te bouwen zoals dat gebruikelijk is voor vorsten en andere groten. De stoepabouw was in Noord-India derhalve al voor ca 500vC in zwang. De mahāyāna Lotus soetra, het zevende hoofdstuk, begint met de beschrijving van een stoepa. Daar is het niet langer een aarden tumulus of een bakstenen heuvelvormig bouwwerk, maar een "vijfhonderd jójana hoog" bouwwerk gemaakt van edelstenen, goud en zilver. Een jójana is een onbeschrijfelijk lange afstand. Een dergelijk bouwwerk zal nooit bestaan hebben tenzij in de verbeelding van boeddhisten die visualiseren als vehikel gebruiken. Het Lotus soetra-fragment, dat heel wel later aan een ouder corpus kan zijn toegevoegd, toont wel aan dat dit manuscript is geschreven in een tijd en in een omgeving waarin verering van stoepas gemeengoed was geworden, en waar edelstenen en dergelijk ruim voorhanden waren, ofwel als mijnbouwprodukt van eigen bodem, danwel als gemakkelijk te financieren import-produkt. In ieder geval dit fragment zou daarom geschreven kunnen zijn in wat vandaag Serindia wordt genoemd, ten westen van India Bharat, ettelijke eeuwen na Boeddha's overlijden.

We staan hier voor een gering probleem. Wanneer Francis Buchanan op de grens tussen 1811 en 1812 door de indiase deelstaat Bihar reist, in gezelschap van een troepje schapen voor ontbijt, lunch en diner, en in gezelschap van nazaten van het islamitische invasieleger in Bengalen, en van shudras, maar ook van verarmde brahmins die geronseld werden voor het draag- en trekwerk, dan is hij omringd door personen die geen enkel historisch besef hebben, althans niet over de regio waar ze doorheen trekken.
Het is in die paar maanden dat hij rondtrekt dat alleen de Mahánt, de vaisnavistische hoofdpriester te Bodhgaya, die enige informatie kan verschaffen die hout snijdt, en de Mahánt is niet diep geïnteresseerd in het boeddhisme; hij heeft zo zijn eigen studie-object.
Wat Buchanan zoal aan levensbeschouwelijkheid tegenkomt is voor het merendeel verwaterde en vaak totaal onjuist doorgegeven stukjes geschiedenis. De bevolking van die tijd, in meerderheid moslim met als tweede groepering wat hindus, en hele kleine aantallen sikhs en jaïns, maar geen boeddhisten, blijken geen betrouwbare informanten te zijn — zij weten het ook niet.

Op die tocht stuit Buchanan dan op een aantal "mounds", bergjes zouden wij zeggen, ruïnes waar nog wat bakstenen uitsteken, veel te veel (in de zon gedroogde) bakstenen voor een gewoon woonhuis, merkt Buchanan op, en naar omvang van de "mound" te klein voor een "kasteel". Niemand in die tijd weet nog te melden dat dit grafheuvels waren die later opnieuw de naam stoepa (stūpa) zouden krijgen. Die grafheuvels stammen op twee na — de Kesária stoepa (daar ligt het haarreliek - késa) en de stoepa te Kusinára, uit de voor-boeddhistische periode. Behalve die twee zijn het geen "boeddhistische" stoepas, ook al zal de bevolking gesproken hebben in termen van Bouddhs wanneer ze het hadden over de bouwers van dergelijke "mounds". "Bouddhs" was na verloop van tijd een vaag begrip waaronder alle niet-hindus worden geschaard (althans volgens de Purānas).

In later eeuwen zullen beide bovengenoemde stoepas, die rechtstreeks verbonden kunnen worden met Boeddha's leven, gekopieerd worden, en er zal van alles en nog wat in opgeborgen gaan worden. In Sri Lanka is er een waar het stoeltje waarop Boeddha bij zijn verblijf op het eiland gezeten zou hebben in opgeborgen is, andere hebben bot- of haarrelieken van andere boeddhistische monniken van wie men meende dat ze verlichting hadden bereikt, en dus een stoepa waardig waren.

Dat concept van bewaarplaats van relieken (sara) zal in Oost-Azië bijna helemaal verlaten worden, en zullen er pagodas ontstaan die in het aantal daken, en in de vorm — achtkantig, rond, of vierkant — een verschillend aantal levensbeschouwelijke concepten verbeelden: de acht levensregels, de negen stadia in het Sukhāvati van Amitābha Boeddha, etc.

Naar pagina 2








Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme