augustus 2022      

  Nieuws over boeddhisme
Opgegraven, Tentoongesteld



Kolo-tv bracht op gezag van het "Gyeongju National Research Institute of Cultural Heritage" het bericht dat er sinds 2014 een uitgebreide opgraving had plaatsgevonden in de Gyeong-ju regio waar het paleis van de koreaanse Silla-dynastie moet hebben gestaan.
Het bericht had het vooral over naar boven gekomen "giwa", dakpannen/eindtegels, niet helemaal hetzelfde als hogels die het uiteinde van een dak versieren.
Pikist heeft een voortreffelijke online fotoserie waar vooral veel van die "giwa" getoond worden. De dakpannen die dezer jaren in Korea werden opgegraven hebben in een aantal gevallen informatie die iets zegt over de functie van het gebouw. Er is een "giwa" met een tekstje in chinees kanji dat het jaartal 679 laat zien: "het 19de jaar van koning Munmu", zo lezen we in het artikel. →
Op een andere opgegraven "giwa" zou een letter staan die aangeeft dat het hier om een administra-tief gebouw ging. En verder zijn er ver-wijzingen naar het boeddhisme, onderandere door het afbeelden van lotussen en "mytische vogels" (de garuda die vanuit de nog niet zo heel oude tekstlagen van het hinduïsme - de Garuda purana - het boeddhisme kwamen binnenvliegen en zich min of meer hebben vermengd en/of aangepast aan het beeld van de oostaziatische foenix?).
De foto in deze kolom laat de galerij zien waarboven zo'n dakrand met "giwa" hangt.


De hier getoonde foto is die van de Tivaro vihāra (ze schrijven Teevaro; de angelsaksische ee wordt uitgesproken als ons ie als in "iets".)
Tehelka.com had op 2 juli een artikel over een archeologische site in de indiase deelstaat Chhattisgarh, centraal India, ten westen van Odisha en ten zuiden van Bihar.
De bijlage gaat er op door.


In een prachtig gemaakt artikel heeft de Washington Post-medewerker het ook even over de belangstelling van Monet en anderen uit zijn tijd voor wat er toen bekend was over het boeddhisme. Deze cluster heeft een blog over Clemenceau, Monet en anderen.


The Hindu van 11 juli had een artikel over de archeologische site van Kana gana halli in de indiase deelstaat Karnátaka.
Eerdere opgravingen toonden aan dat hier bouwwerken zijn neergezet door koning Asoka, zie voor Asoka deze pagina ('het derde concilie').
De focus van de opgravingen ligt op de grote stoepa (Mahā stūpa) hoewel we zien dat daar eigenlijk niets van over is. Wat zoeken ze dan? Het beroemde kistje met gouden dukaten uit de jongensboeken?
De foto hierboven toont de restanten van een van de memoriaal-stoepas, kleinere bouwwerken die pelgrims lieten oprichten ter nagedachtenis aan hun bezoek aan deze plaats. We vinden dergelijke memoriaal-stoepas, voor zover ze niet naar musea zijn overgebracht, vooral op de belangwekkender sites zoals te Bodhgaya ('votiefstoepas').


Het is niet de eerste keer dat Lee Jay Walker wijst op de muurschilderingen in boeddhistische tempels in Japan. Maar het kan nooit kwaad ze nog eens te tonen. Hij heeft het onderandere over de Byōdō-in in Kyōto, de "tempel van gelijkaardigheid", hij schrijft 'equality'. Wat bedoeld wordt is het begrip samatá (5de blokje).
De Byōdō-in is een tempel uit de Hei-an-tijd (794-1185), in 1052 gebouwd door de Fujiwara-clan die het Reine Land-boeddhisme aanhingen — voor zover ze zich er werkelijk mee bezig hielden.


Bij Colossal hebben ze een bericht van een museum in Cincinatti overgenomen. Op de achterkant van een bronzen spiegel staat in kanji de naam van Amitābha Boeddha, en pas wanneer de voorkant op een muur wordt →


geprojecteerd ziet de toeschouwen een schaduw-boeddhabeeld, Amitābha voorstellend. De chinese mens laat zijn bezoekers graag iets heel bijzonders zien, iets van vroeger, of iets wat niemand anders heeft. In dit geval had de eigenaar inderdaad een heel bijzonder voorwerp.


Xinhua (sjien-hwa) had op 20 juli een artikel over de archeologische site van voor de een Mor, voor Xinhua Mo'er, en voor een derde Mauri-Tim. Alleen de bron die de laatste naam gebruikt weet van de hoed en de rand. We hebben het hier niet over een "tempel", maar over een stoepa.
Op de site zo'n 30 km ten noorden van Kashgar, in de Xinjiang-provincie (sien djàng), daar waar de meeste Oeigoeren gevestigd zijn, zijn archeologen op de naar ze aannemen 3de eeuwse site verder aan het graven om te zien of er nog meer te vinden is dan restanten van de stoepa van aangestampte aarde. Dat moet wel haast, zo'n bouwwerk werd nooit zomaar zonder aanpalende woon- of tempelvertrekken opgericht. Er zijn in ieder geval een aantal beeldjes tevoorschijn gekomen, en ook enkele die groter zijn dan de gemiddelde mens. De rest zijn de gebruikelijke vondsten van scherven, stukken hout (in de woestijn!), botresten en munten. Het zullen de munten zijn die iets kunnen zeggen over jaartallen en waar en door wie ze geslagen zijn. →

Te Kashgar waren de sarvásti-vádin gevestigd, de tegenhanger van het vroegste theravāda.
Ze hadden het te druk met het nadenken over de fysiek-filosofische praktijk om zich uit te laten over stoepas, zo moeten we opmaken uit Bareau's werk (Les sectes bouddhiques ...), maar wel werd in hun stellingen opgenomen (p.141, pt.23) dat die lui van Uttarakuru (oettara-koeroe) zich niet kunnen bevrijden van lustgevoelens (rāga = lust / vi-rāga = vrij van lust) en dat er onder hen geen nobelen van geest (arya) geboren worden. En hetzelfde geldt, zo staat er, voor de 'hemelse wezens die het zonder bewustzijn' (asamjñi-deva) moeten doen, maar dat spreekt vanzelf, nietwaar.
Ook met die uitspraak over Uttarakuru zetten de sarvásti-vádin zich af tegen de theravādin die in de Pāli-canon in gloedvolle bewoordingen spreken over dit eiland van Uttarakuru, zo ver weg van Jambudvipa (djámboe-diipa). Jambudvipa is India: het eiland van de "rose apple tree".


De Tourism development corp. of Punjab blijft er, met andere organisaties, op hameren dat Pakistan een boeddhistisch verleden heeft, en dat de restanten daarvan bezocht zouden moeten worden.
Zo laat Kamal Thakur een foto zien van de restanten van een stoepa te Chakwal, met daar achter wat een vihāra moet zijn geweest waarover een hindu-tempel ter ere van Shiva, en links daarvan een moskee zijn verschenen. Voilá Pakistan, maar ook India en andere streken. De een is niet heiliger dan de ander.
Merk op dat de stoepa en het gebouw er achter goed ommuurd waren; daar zal een reden voor zijn geweest.
De Daily Sabah toont mannen aan het →

werk tijdens opgravingen in februari van dit jaar. Rechts naast de zwart-witte paal (foto hiernaast) verschijnt de kleding van een zittende figuur. Het bovenste deel is helemaal weg, dus wat het voorgesteld heeft, dat zullen we nooit weten. Het maakt duidelijk deel uit van een in bas-relief uitgestoken wand, want verderop, rechts, zien we een figuurtje in kruisbeense houding uitgehouwen dat overduidelijk een boeddhabeeldje moet zijn geweest. Ook hier is het hoofd niet meer zichtbaar, maar als we goed kijken zien we nog wel de halo die achter zijn hoofd was uitgestoken.
De Katàs Raj-tempels, d.w.z. de Shiva-tempels die over de resten van de boeddhistische vihāra werden gebouwd, dateren van de 7de tot 10de eeuw, zo zegt een andere bron. Dat wil zeggen dat het in de zevende eeuw voor boeddhisten in dat deel van Pakistan niet meer leefbaar was. Ze zullen zijn weggetrokken zoals ze/we dat ook vandaag nog doen waneer de omstandigheden te ongustig worden. Martelaarschap is een woord dat wij niet kennen.



De rest van het tentoonstellingen en opgravingenfront is deze maand even doorgeprikt naar @Whitejaderiver :
Kruikenvlakte in Laos | Opgraving te Angkor Wat | Opgravingen in Bangladesh | Kopie srilankaans Avukana boeddhabeeld in Japan



Terug naar de voorpagina | @Whitejaderiver | words in picture-blog





Nieuws over Boeddhisme is een productie van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme.
De paginas bestaan sinds december 2004.

Stichting onder nummer 20138036.


>