Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






OP EN ROND DE ZIJDEROUTE

Klik naar de volgende bijdragen:

Bijlagen:


"Boeddhisme" is de naam geworden voor het totaal aan leringen dat ontstond op basis van de uitspraken van Sakyamuni of Gáutama Boeddha, 6de-5de eeuw vC.



"Zijderoute"
Het was een diplomaat namens de chinese Han-dynasrte, Zhang Qian, die meer dan tweeduizend jaar geleden bij twee gelegenheden de reis naar Centraal-Azië waagde langs wat — in vertaling — de Zijderoute wordt genoemd.
Iemand als Richard C. Foltz zou de term 'Zijderoute' hebben overgenomen van Ferdinand von Richtofen. Foltz heeft de term verder gepopulariseerd.
De auteur Salman Rashid merkte op 30 juni 2011 op dat er geen bewijs is gevonden voor handel in zijde langs de "Karakorum Highway" in Pakistan. Zelfs Taxila wordt niet in verband gebracht met de handel in zijde, zegt hij. Hij wijst er op dat zijde zijn weg langs, niet door, het huidige Pakistan vond via zeeroutes. En inderdaad, een stad als "Samudrakaccha", zo genoemd in de Avatámsaka soetra zou niet genoemd zijn als het niet een belangrijke haven was geweest. Niettemin, Zhang Qian reisde langs een bekende (want veilige) route, bekend bij karavanen die telkens een deel van de route aflegden: van A naar B, waar de goederen werden overgeladen om van B naar C te worden vervoerd, enzovoorts. Ook al zal er niet altijd sprake zijn geweest van uitsluitende handel in zijde, de term "...-route" is niet verkeerd gekozen.

"Zijderoute" moest in het verre verleden inderdaad gezien worden als een geheel van zijderoutetjes. Zo vinden we in de vroege Sutta Nipāta, in de Vatthugāthā (PTS F.185/6 : 1011-1013) de route die een groep beroemd geworden mannen namen om bij Boeddha aan te komen. Deze leerlingen van de 102-jarige brahmaanse asceet Bāvari, die naar Boeddha's mening "het hoogste stadium had bereikt dat er in zijn religieuze overtuiging te bereiken viel", maakten een voettocht over wat we waarschijnlijk een druk begane handelsroute door het toenmalige Noord-India mogen noemen. A[d]jita, Tissa-Metteyya, Púnnaka, Mettagū, en 12 anderen die kort na aankomst Boeddha's monniken zouden worden, begonnen hun tocht in de huidige deelstaat Mádhya Pradèsh en reisden aanvankelijk noordwaarts tot ze bij de grote stad Sāvatthi (Sravasthi) aankwamen. Daar boog de route enigszins in noordoostelijke richting af naar wat nu de meest zuidelijke rand van het huidige Nepal is, d.w.z. naar Kápila-vástu. Van daaruit maakte de route opnieuw een bocht, deze keer zuid-zuid-oost, en bracht hen verder naar het huidige Kusināra (Kusināgara) in Noord-India, om uiteindelijk aan te komen in de stad Vesáli (Vaisháli). Zoals boven aangegeven, het is meer dan waarschijnlijk dat ze meereisden met een karavaan, of karavanen, want dat was het veilige gebruik in die tijd, ca 600-500 jaar voor de westerse jaartelling. Daarvoor vinden we bewijs in de monialenregels (vinaya) van de Orde van bhikkhunī waar hen op het hart wordt gedrukt dat ze niet alleen mogen reizen, maar altijd in het gezelschap van vertrouwde handelaren.





Weg uit Pakistan en Afghanistan

Boeddhisme verdween uit zowel Afghanistan als Pakistan. In Afghanistan, zo laten historici weten, is er bij de stad Balkh ooit sprake geweest van een vestigingsplaats van boeddhistische monniken. De plaats heette Nāva Vihāra: de nieuwe vihāra, die bewoond werd tussen ongeveer de zevende en negende eeuw. Nadat de Oemajád-kalief de regio had veroverd bleef het klooster (nog enige tijd) open, hoewel er berichten zijn dat veel monniken zich tot de islam bekeerden — Boeddha stelde dat alleen in het bestaan van een mensenleven verlichting bereikt kan worden, en dat verdedigen van het eigen leven op die grond alleen al toegestaan is. De monniken kozen dus eieren voor hun geld; gedachten zijn vrij; creatief met namen, aanroepingen en gebruiken omgaan is een kunst en kunde geworden binnen de verschillende boeddhistische stromingen die het vanaf ca de zesde eeuw zwaar hebben gekregen. In de negende eeuw, zo leest u onderstaand was boeddhisme (tijdelijk) weer terug in de buurt van Kabul. De uit India afkomstige hindu Shahi-koningen regeerden tot begin 11de eeuw over de Kabul-vallei, en over Kashmir (Gandhāra). De naam "Hindu Shahi" is bewust zo gekozen omdat er ook een "Turk Shahi-dynastie" is geweest. De Hindu Shahis waren saivisten, en hieraan zien we waarom in de westelijke streken zo'n grote invloed heeft gehad op het boeddhisme in Gandhāra, en vervolgens in de Himalayas. In en rond Kabul en de Khyberpas zijn wel restanten aangetroffen van verondersteld boeddhistische leefgemeenschappen, maar niet van hinduïstische. Tot op de dag van vandaag zijn boeddhisten vlijtiger gebleken in het bouwen en onderhouden van woonoorden voor professionals dan de hindus. Een tekst als de Lotus Soetra zegt niet voor niets dat er groot moreel voordeel te halen is uit het bouwen van "stoepas", zoals het er staat. Er lijkt geen brontekst voor het hinduïsme te zijn waarin een soortgelijke gedachte wordt ontvouwd. De 12de-eeuwse Sanskriettekst de Raja-taràngini heeft het zijdelings, zo wordt gezegd, over de Shahis.


Bernard Grua wees er in een artikel van begin december 2020 op dat het boeddhisme voor het eerst in de vierde eeuw werd waargenomen in wat de Wakhan-corridor heet, het langwerpie stuk Afghanistan dat tussen Tajikistan en Pakistan doorloopt naar het oosten, en als zodanig voor lange tijd de enige toegangsweg naar Afghanistan is geweest. De chinese monnik--reiziger Xuanzang die tussen 639 en 645 door die streken reisde heeft in zijn travelogue gewag gemaakt van het zoroastrianimse en het boeddhisme in die regio, de eerste levensbeschouwing in grotere getale dan de laatstgenoemde. Op zijn terugreis naar India liet Xuanzang een berg boeken meedragen op de rug van 22 paarden, en deed zo'n 10 tempels in de Wakhan-regio aan. Vandaag (2020) zijn in het dorp Vrang nog de restanten zichtbaar van een boeddhistische vihāra. Wat ons vandaag online wordt getoond zijn de restanten van een stoepa (zie de afbeelding).




Persbureau Reuters liet op 18 augustus 2010 weten dat er in de buurt van Kabul, Afghanistan, een vijfde boeddhistische archeologische site is gevonden.

Op het terrein, zo citeert Reuters een bij de opgravingen betrokken ambtenaar, is/was "een tempel, waren er stoepas, mooie kamers, grote en kleine beelden ... kleurige wandschilderingen met goud, en enkele munten."
Sommige van de opgravingen worden gedateerd op de vijfde eeuw nC. De site wordt Mes Aynak genoemd, de Kleine Koperbron.

Woordvoerder Raouli liet de Reuters-verslaggever weten dat de Afghaanse overheid de middelen niet had om de artefacten uit deze afgelegen streek te in veiligheid te brengen. De restanten en artefacten kwanen aan het licht toen een chinese firma zwaar materieel was gaan inzetten om daar een kopermijn te gaan exploiteren.
Lokale en internationale archeologen, met name de Délégation Archéologique Française en Afghanistan, kwamen aangesneld om te redden wat er te redden viel. De kopermijnfirma stelde het werk aan dit deel van de site voor ongeveer een jaar uit, en er werd gemeld dat wat er gevonden was op een veilige plaats werd bewaard; begin 2011 stonden er stukken van Mes Aynak in de tentoonstellingsruimte van het museum te Kabul.
De taliban, zo schreef Francesca Aton op 11 april 2023, heeft het groene licht gegeven voor het behoud van de restanten van een boeddhistisch stoepatje te Mes Aynak.
De Aga Khan Trust for Culture (AKTC), via een zwitserse instelling met de naam Aliph, heeft $1 miljoen opzij gezet voor het restaureren van "meer dan 50 sites te Mes Aynak". Het gaat dan om "stoepas, standbeelden, muren en vloerschilderingen". Er werd ook nagedacht over het verplaatsen van verschillende artefacten.
(Aliph of alif is de eerste letter van het arabische alfabet.)

Sinds de eerste vondsten op het kopermijncomplex zijn de werkzaamheden verschoven naar Tepe Kafiriat, meer de bergen in. Dit meldde The Art Newspaper op 7 april 2011. Daar zijn de fundamenten van een gebouw gevonden met de restanten van een stoepa die op zijn beurt weer omcirkeld werd door 8 kleinere stoepas (zoals dat overigens ook het geval is bij een paar vroege Birmese boeddhistische sites). Er is het beeld van een liggende Boeddha aangetroffen, een houten boeddhabeeld, en er zijn muurschilderingen.

In maart 2011 had The Art Newspaper een gesprek met Omar Sultan, de vice-minister voor informatie en cultuur. Omar Sultan wilde het aantal plaatsen waar in deze heuvels de schop de grond in zou gaan uitbreiden van 30 naar 60, en daarmee het aantal werknemers die daar bezig zijn van 90 naar 900, terwijl er een 1470 soldaten nodig zouden zijn voor bewaking. China zegde toe archeologen te zullen zenden.

De waarde van een dergelijke site voor een land als Afghanistan is dat er meer internationale aandacht zal komen voor de veiligheidssituatie, terwijl men ook verwacht dat er een toeristenstroompje op gang zal komen, hetgeen eveneens kan zorgen voor buitenlandse aandacht, én deviezen, áls ze komen.

Boeddhisme verdween voor het eerst in de negende eeuw uit de omgeving van Kabul, maar was er na een of twee eeuwen, samen met het hinduïsme weer terug toen een indiase krijgsheer, die zowel hinduïsme als boeddhisme sponsorde, de overhand kreeg. Lang heeft het niet geduurd.
Een aantal artefacten is al voor de vondsten te Mes Aynak uiteindelijk terecht gekomen in het museum van Bagdad.




De boeddhistische Ryukoku universiteit, een instituut voortgekomen uit de Reine Land-stroming en gevestigd in Kyōtō heeft een overeenkomst getekend met het afghaanse Nationale Instituut voor Archaeology voor een komend onderzoek naar een site nabij de Bamiyan-vlakte.

In die vlakte liggen de ruïnes van het Chehel Burj fort waar onlangs restanten van boeddhistische cultuur gevonden zijn.
Voorheen werd aangenomen dat de Bamiyan-vlakte de meest westelijke boeddhistische site in Afhanistan was; met de ontdekking van dit fort is die grens ca. 120 km opgeschoven.
Het geplande onderzoek zou een antwoord proberen te vinden op de vraag of en in hoeverre er een verbinding bestond tussen de afghaanse boeddhistische cultuur en die van Turkmenistan.
(bron: Japan Times, 4-3-2005)


Kyodo News meldde op 9 november 2005 dat onderzoekers van deze universiteit ca. 120 km ten westen van Bamiyan, in Afghanistan, in de rotsen uitgehakte grotten gevonden hebben die waarschijnlijk uit de achtste eeuw dateren.
Het is een vondst die een team onder leiding van prof Takashi Irisawa deed in oktober 2005, in rotswanden nabij de zogenaamde Keligan ruïnes in de buurt van de Band-e-Amir rivier.
Er zijn geen muurschilderingen, beelden of andere artefacten in de grotten aangetroffen, maar omdat ze veel lijken op de structuur en 'architectuur' van de grotten te Bamiyan, gaat men er van uit dat ze gebruikt zijn geworden door boeddhistische monniken. In totaal bevat het complex zeven eenheden, en enkele hebben nissen waarin naar verwachting beelden hebben gestaan.
Twee kilometer ten westen van deze vondst, in een klein dorp, trof men nog een tweetal grotten aan.





Op 8 mei 2007 liet de Indian Express weten dat de regering van de indiase deelstaat Jammu en Kashmir de nationale archeologische dienst, de ASI, gevraagd heeft op zoek te gaan naar de koperen platen waarop naar verluidt verslag is gedaan van het derde concilie, in de woorden van de deelregering, "de derde internationale boeddhistische conferentie" die in de derde eeuw vC plaatsvond in de Kashmir-vallei, ten tijde van de regeringsperiode van koning Kanishka (spreek: kaaniesjka).(1)
Er wordt gezegd dat deze koperen platen ooit, ten tijde van invallen vanuit het westen, in stenen dozen zijn geplaatst en ergens zijn begraven.
Deze wens werd geuit tijdens een "heritage conference" in de vallei. Het zal nog moeilijk zijn de plaats te vinden waar de dozen begraven liggen. Er werden plaatsnamen geuit als Kundalwan, of Kanilwan in Anantnag, of Kanispora in Baramulla, of Pariashpora, of de Zabarwan heuvels. Recentelijk, zegt het bericht uit 2007, zijn er opgravingen verricht in de plaats Kudbal in Anantnag. Daar werden de restanten van een nederzetting gevonden, en men hoopt nu dat daar ook die dozen te vinden zullen zijn.

(1) Wij noemen de hier gemelde derde conferentie het vierde concilie. Zie hiervoor de concilie-pagina.





19 juni 2005
In Kutabal, een dorpje in het zuiden van Kashmir hebben archeologen een belangrijke vondst gedaan. De vondst is een vloer-mozaïek met in het rond gelegde tegels waarop prachtige afbeeldingen van "mensen, dieren, fantasie-dieren, flora en fauna, met een lotus in het midden" meldden de verslaggevers van Kashmir Times op 19 juni 2005. Naast deze afbeeldingen zijn cijfer-inscripties in het Kharosthi-schrift gevonden. "Officials zeggen dat de vondst getuigt van een hoog ontwikkelde stedelijke civilisatie", meldt KT. "We hopen ook koperplaquettes te vinden die behoren tot het befaamde boeddhistische concilie", zei een van de archeologen.

Het vierde boeddhistische Concilie wordt door een deel van de Communiteit afgedaan als een verzinsel. Er zijn echter steeds meer concrete aanwijzingen dat dit Concilie, een bijeenbrengen, opschrijven, en systematiseren van leerstukken wel degelijk heeft plaatsgevonden. Dat Vierde Concilie heeft dan plaats gevonden in Kashmir, tijdens de regering van de tweede eeuwse koning of keizer Kánishka, en bepaalde bronnen menen dat het in het huidige Jullunder moet zijn geweest. Daar werden de fundamenten van de inmiddels, althans fysiek, verdwenen sarvastivāda-traditie opgetekend, een traditie die nog bekend is via de tibetaanse en chinese geschriften. De voorzitter van dit Concilie was Vásu-mitra, en ook Ashva-ghosha zou hieraan hebben deelgenomen.

Ook in Pakistan werd in 2005 flink gegraven. In Noord-Pakistan, in de regio van Malakand, bevinden zich circa duizend archaeologische sites waarvan er 92 nieuwe in 2005 zijn geopend. Er zijn onderandere restanten gevonden van boeddhistische kloosters en stoepas. Dit meldde Pakistan Link op 18 juni 2005.





In de Noord-Indiase Gurez-vallei liggen (indien men zou gaan zoeken), zo meldde de locale pers van 9 augustus 2005, nog vele oudheden.
De streek vormde een doorgang op de Zijderoute, een stuk dat Kashmir met Gilgit verbond (waar belangrijke boeddhistische manuscripten zijn gevonden), om vandaar naar Kashgar te gaan (een andere bron van boeddhistische cultuur).
Archeologen hebben in het noorden van de vallei, in het bijzonder in Chilas, honderden inscripties opgegegraven. Die stenen plaquettes zijn bewerkt in het Kharoshti, het Brahmi, het Hebreeuws, en Tibetaans schrift. Wat ontdekt is geeft een inzicht in het ontstaan van het volk van Kashmir, en ook inzicht in het vroege boeddhisme dat precies in Kashmir een andere invalshoek verkreeg.
Hindustan Times herinnert er aan dat een paar Concilies in Kashmir hebben plaatsgevonden - men noemt Kanzilwan als een van die plaatsen - en dat het vanuit Kashmir was dat boeddhisme in de 6e eeuw Tibet binnendrong.






Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme