Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






voorouders en de aarde



Ter introductie: het rouwen in theravāda-kringen

In deze stroming verloopt het rouwen, zeker in het bijzijn van het stoffelijk overschot, zeer ingetogen. We kunnen zeggen dat hier een cultuur wordt gevolgd die vergelijkbaar is met die in de Himalayas waar sprake is van het bardö in het Tibetaans. In het Pāli van het theravāda is er dan sprake van het àntara-bháva. Zo vinden we het ook in het Hybrid Sanskrit(1). Het klassieke Sanskrit lijkt zo'n begrip niet te hebben, daar gaat het ene leven onmiddellijk over naar het andere, zo moeten we begrijpen.

Met het niet- of zeer laat-canoniek zijn van dit begrip "tussenbestaan" is er een gebruik meegenomen, of ontstaan waarin de zuid-Aziatische boeddhist aanneemt dat er bij het sterven een opdeling ontstaat tussen lichaam en geestesinhoud, tussen het materiële en het immateriële. Om nu te voorkomen dat dit immateriële zich zou blijven vastklampen aan het dode lichaam — waardoor allerlei nare situaties zouden kunnen ontstaan — wordt er gecultiveerd en gereciteerd richting dit immateriële dat toch maar zo snel mogelijk moet overgaan naar een ander op dat moment in-statu-nascendi zijnd individu. Ernstig verdriet tonen is daarbij dan ook taboe, dat verontrust het immateriële alleen maar waardoor het in verwarring raakt en niet weet waar te blijven.

Binnen de Chinese cultuur vinden we iets soortgelijks. Op een dag op bezoek bij een naaister stond een mooi aangeklede paspop bij haar op de stoep. Op de vraag over het waarom was het antwoord dat een "spirit", zo'n immateriële entiteit, die paspop was binnengegaan in de veronderstelling dat dit een levend mens was, ze had het zelf gezien.

(1) Franklin Edgerton trof het àntarābhávika en het àntarabháva aan in latere teksten als de Bodhisatttva-bhumi: "iemand die in het tussenstadium leeft", en in de Làlita-vistára en de Abhidhárma-kosa.



Àntara-bháva betekent letterlijk "tussen twee geboorten (of levens) in". Vooral in de boeddhistische opvatting van de volkeren in de Himalayas is die veronderstelde tussenfase, een periode waarin dat wat van het ene op het andere leven overgaat, nog als het ware in limbo is. Volgens deze stromingen duurt die periode 7 dagen. In die tijd wordt het lijk met rust gelaten en vindt officiële uitvaart pas daarna plaats.
De veronderstelling is onwetenschappelijk, maar dat is geen overweging die door deze bevolkingsgroepen wordt meegenomen.

Eind juli, begin augustus 2008 bezocht een senior rinpoche (spreek: rinposjee) uit een van de Kagyu-stromingen (spreek: kàgjoe) van het tibetaans boeddhisme Ierland. Hij meende dat de keltische en tibetaans-boeddhistische meditatie en spiritualiteit overeenkomsten hebben.

Beliefnet zegt dat keltische meditatie de meditator verbindt met de aarde en zijn voorouders. Daar zal de Spiritualiteit, voorheen New Age, blij mee zijn, men zal het ervaren als een "'t is toch allemaal hetzelfde."

Boeddha leerde ons vooral de nog levende ouders en grootouders te respecteren, maar hij leerde ons toch niet om ons over te geven aan voorouder-verering in de zin van een voortdurend aanroepen, en hulp inroepen van dat wat er niet meer is, van dat wat inmiddels getransformeerd is in een andere levensvorm. Hij leerde al helemaal geen verering van de aarde — wèl een respecteren van de aarde "die zo geduldig alle rommel verdraagt die men er op gooit", zegt de Jātaka (legenden over Boeddha's vorige geboorten) over het grote geduld van de olifant.

Passages over het respect naar ouders vinden we in zeker 50% van de vroege canon; het is nagenoeg ondoenlijk alle plaatsen te citeren. Dr. Ron Epstein, werkzaam aan het "Philosophy Department" van de San Francisco State University heeft een groot aantal plaatsen geïdentificeerd. Zie daarvoor http://online.sfsu.edu/~rone/Buddhism/BuddhismParents/BuddhismParents.html









Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme