Mūdra en pinkama


Pinkama

Het singhalese woord pinkama is afgeleid van het Pāali púñña-kamma, of het Sanskriet púnya-karma (spr. poenja-), verdienstelijke, of morele verdiensten opleverende handeling. Het woord is gebaseerd op een passage in de Mahā-parinibbāna Sutta in de Pāli-canon. In deze Leerrede wordt gesproken over de architecten van de stad Patna die vroeger Pataliputra heette: Vassakāra en Sunidha. Daar prijst Boeddha beide mannen met de woorden,

"Ānanda, het is alsof Vassakāra en Sunidha advies hebben gevraagd aan de deva (meerv.) van de [Hemel van] Drieëndertig (Pāli: Tava-timsa of (Skr.: Traya-trimsa). ... In een streek waar er deva met grote geestkracht zijn, daar zijn machtige overheidsdienaren bezig met de constructie van gebouwen; waar er deva met minder grote geestkracht zijn, daar zijn minder machtige overheidsdienaren bezig met de constructie van gebouwen."

Aan het eind van een nachtelijke bijeenkomst met toehoorders uit de stad nemen Vassakāra en Sunidha toevlucht tot de Boeddha en zijn Leer(1), en nodigen het gezelschap monniken met Boeddha aan het hoofd uit de volgende dag een maaltijd te aanvaarden. Na deze maaltijd dankt Boeddha de gevers in een aantal versregels en zegt daarin,

"Waar hij ook moge verblijven, de wijze mens | offert gaven aan de reinen en waardigen. | En nadat hij deze waardigen gaven heeft overhandigd | deelt hij zijn [morele] verdienste met de lokale deva. | En zo geëerd, eren zij hem op zijn beurt. | .... | Hij is door hen geliefd; hij wordt fortuinlijk."


De puriteinen onder ons hebben nog steeds moeite met Boeddha's aanvaarden van een deel van de vedische traditie waarin wordt gesproken over deva en brahma. Maar in bijvoorbeeld Boeddha's biografie, de Nobele Zoektocht, zien we al een verwijzing naar de deva van die tijd. Je tegen zo'n concept openlijk afzetten had eindeloze discussies en onthouden van voedelgaven veroorzaakt, en had de zaak in zijn kern niet vooruit geholpen.

(1) De standaard toevluchtname zoals we die nu kennen is het toevlucht nemen tot het Drievoudig Juweel, de Boeddha, de Leer (Dharma) en de Communiteit (Sangha). Dit vroege werk toont ons dat in de jaren dat Boeddha over aarde ging de mensen toevlucht namen tot alleen de Boeddha en de Leer, en we moeten er daarom van uit gaan dat de drievoudige toevluchtname van later datum is.




Een boeddhabeeld zoals we dat in Myanmar en Sri Lanka kunnen aantreffen met de bhumi-sparsa, de aarde-aanrakende mūdra. Het birmese kenmerk aan een dergelijk beeld is de haarband en de afwezigheid van nog een extra toef haar op de kruin. Zie ook de bijdrage over Boeddha's afscheid van het burgerleven

De Carus-vertaling

Op 6 januari 2007 werd in de Srilankaanse plaats Koluwa-módara een "10 cubit Buddha statue" ceremonieel geïnstalleerd. Dit meldde de Daily News van die dag.
De drie dagen durende ceremonie, die werd aangeduid met de generieke naam pinkama, werd bijgewoond door overheidsfunctionarissen, en werd op 8 januari afgesloten met het voedsel geven aan 400 monniken.

Een cubit is een maat gebaseerd op de lengte tussen het topje van de middelvinger en de elleboog van een volwassen mens, dus 40 - 45 cm.

Het Koluwa-módara-beeld toont de bhumi-sparsa de aarde-aanrakende mūdra. Deze mūdra wordt beschreven in de Padhāna sutta uit de vroege Sutta Nipāta van de/het theravāda.
In de Padhāna sutta wordt beschreven hoe Boeddha "het leger van Māra" versloeg, dat wil zeggen, hoe hij weerstand bood aan de pull die wordt uitgeoefend door het verlangen naar het verlangen, het volkomen hedonistische verlangen naar wat je in principe al hebt: leven en alles wat de relatieve wereld te bieden heeft.
De beschrijving in deze Leerrede moet niet letterlijk genomen worden. Net als in het oude Europa lopen de werkelijkheid en het sprookje door elkaar, en wordt niet zelden de voorkeur gegeven aan het sprookje omdat dit de werkelijkheid in wezen dichter benadert dan een historisch-feitelijke opsomming van gebeurtenissen. In India heet dat in het Sanskriet: itihása.

Hier zien we de twijfel van de Bodhisattva die op het punt staat "door te breken": Heb ik nu werkelijk alles gedaan wat gedaan moest worden, zijn de tien perfecties (dasa-paramitā) nu werkelijk vervuld? Wanneer dan Boeddha de aarde aanroept als getuige is er zekerheid, en valt die zorgelijke onrust weg. Wellicht mogen we daarom nirvāna wel omschrijven met de vredige rust van iemand die weet dat hem of haar niets, maar dan ook niets meer verweten kan worden. Ook daarom wordt van Boeddha gezegd dat hij de angstloze is, en ook daarom is het alleen aan boeddhabeelden dat we de vreesafwerende mūdra zien, de abhaya-mūdra.(1)

De passage, naar een vertaling van Paul Carus, gaat als volgt:

"Māra liet een wervelwind ontstaan, maar tevergeefs; hij liet een stortbui ontstaan opdat Boeddha daarin verdrinken zou, maar geen druppel maakte zijn pij ook maar nat; hij liet rotsblokken van een helling naar beneden komen, maar die veranderden in bloemen; hij veroorzaakte een regen van wapens — zwaarden, speren en pijlen — die hem moesten treffen, maar het werden hemelse bloemen; hij veroorzaakte een regen van gloeiende kolen die uit de hemel neerdaalden, maar ook deze richtten geen schade aan. Zo ook werden hete as, een zandstorm en een modderstroom veranderd in hemelse zalven.
Ten leste veroorzaakte hij duisternis, maar de duisternis week voor Boeddha zoals de nacht wijkt voor de zon. Māra schreeuwde: "Siddhàrta, sta op van die zetel, die behoort jou niet toe, die behoort mij toe." Boeddha antwoordde, "Māra, je hebt de tien perfecties(2) niet vervuld. Deze zetel behoort niet jou toe, maar mij, want ik heb die tien perfecties vervuld."
Māra weersprak Boeddha's claim en riep zijn leger als getuige aan. Boeddha zei, "Ik heb geen ademhebbende getuige hier tegenwoordig, maar", zijn rechterhand naar de machtige aarde uitstrekkend zei hij tot de aarde, "Wilt u mijn getuige zijn?" En de machtige aarde donderde: "Ik ben getuige." En Māra's olifant viel op zijn knieën, en al zijn volgelingen vluchtten alle kanten op. Toen de menigte hemelingen zag hoe Māra's leger vluchtte, riepen ze: "Māra is verslagen! Prins Siddhàrtha heeft overwonnen! Laat ons die zege vieren!"


(1) De abhaya-mūdra.
(2)Tien perfecties (paramitā). Zie hiervoor het Oxford lemma.

Een tweede en derde verslag van die strijd met Māra

Doorgaans wordt voor deze uitspraak over het de aarde aanraken verwezen naar de Làlita-Vistara, een later mahāyānistische vertelling over Boeddha's leven. Wanneer we kijken naar de vertaling door een kenner van de Tibetaanse Kangyur, de exoterische vertellingen uit die noordelijke mahāyānistische tradities, dan staat daar (Boeddha formuleert zijn voornemen in stilte): "Nu moet je Māra verslaan, / Met de perfecte palm van je hand de aarde aanrakend."
Een mudra met de platte hand op de aarde komt op beelden en in schilderingen echter nergens voor (tenzij wellicht in hedendaagse manga-achtige tekeningen in stripverhalen [2026]).

We vinden een andere bron in de Pāli (= theravāda) Nidána-kathá waarvan hier onder een fragment. Wanneer Māra, de representatie van alles wat ons aan het leven gebonden houdt zegt dat hij perfect is omdat hij zoveel aalmoezen heeft uitgedeeld, en dat er ontelbaren zijn die daarvan kunnen getuigen — en die dat dan ook luidruchtig beamen — tart hij de toekomende Boeddha met een soort van: "En jij/u? Wie heb jij/u als getuige voor je/uw goede daden? Waarop de (P./Hybr. Skr.) bodhisatta/bodhisattva
zegt dat er (die nacht, onder die bodhiboom) niemand in de buurt is die voor hem kan instaan, maar hij gaat verder met een:

"Gij hebt levende getuigen die instaan voor uw uitdelen van aalmoezen, en ik heb er op deze plaats gezeten geen. Maar voor het moment, even niet over (al die andere) aalmoezen die ik in vorige levens heb gegeven, laat deze grote, ferme (of uitgestrekte) aarde, ook al heeft die geen bewustzijn, getuige zijn van de zevenhonderd-voudig grote gift die ik heb gedaan toen ik leefde in de persoon van Vessàntara" (de koning die alles weggaf, tot en met zijn vrouw en kinderen — en als gevolg van zijn gulheid ook weer alles teruggeschonken kreeg).
"En zijn hand onder zijn overgewaad vandaan halend strekte hij deze naar de aarde uit en zei, "Zijt gij wel of niet getuige geweest van de zevenhonderdvoudige gift toen ik als Vessàntara op aarde was."
En de grote Aarde bracht een stem voort die zei, 'Ik was daarvan getuige!' daarmee als het ware de menigte rond de Kwade (Māra) overweldigend alsof ze de (oorlogs-)kreet van duizenden tegenstanders hoorden."
(Ze vluchtten.)

Dit is een en al beeldspraak: "Māra" staat voor de "koning" over al onze verlangens, gehechtheden, en genietingen. De stem, in dit geval van de aarde, komen we op andere plaatsen tegen wanneer er sprake is van een aardbeving, of van iemand die op z'n grondvesten staat te schudden. Over Vessàntara hadden we het bovenstaand, en de menigte rond Māra — elders zijn mooie dochters die de asceet, de komende Boeddha, wilden verleiden (blijf hier, wees net als ons, onvolmaakt, geeft niks) — zijn al die bovenstaande verlangens, gehechtheden, en genietingen.

In de tijd en ruimte waarin deze tekst ontstond kon ieder kind feiten van beeldspraak uiteen houden, in onze tijd en ruimte moet het telkens weer uitgelegd worden tegen de achtergrond van sprookjes en legenden die in onze streken bekend zijn, denk bij voorbeeld aan Arthur, de ridders van de Tafelronde, die "graal", en de tovenaar Merlijn die in de ondoordringbare broussailles van de Normandische kust schijnt te hebben gewoond.


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme