DE BLOEMENKRANS SOETRA

Avatámsaka Soetra


DEEL TWEE

Boek Zevenentwintig


De Tien Concentraties
Bijlage 1

binnengaan, boeddha zijn, bodhi




Dit boek over de tien concentraties is, dat zal niemand verbazen, een echte samādhi-tekst, een tekst ter meditatie. We zouden ze kunnen indelen in recitatieven, en in rijen waarin die recitatieven worden bevestigd, versterkt en in een wijder perspectief worden geplaatst. Die rijen, als we ze zo even mogen noemen, helpen de groep recitanten, of de groep toehoorders - mits ze geschoold zijn in concentratie-meditatie - op snelle wijze een diepe concentratie te bereiken, die overigens niet verward mag worden met trance; trance is onboeddhistisch.

Hier wordt vaak de meditatie vermeld waarin de praktikant de ene staat binnen gaat, en uit de andere verrijst, zoals in boek 12, in een veelheid aan variaties herhaald in boek 27:
"Bodhisattva-mahāsattvas die in deze concentratie(1) verkeren kunnen, de ene na de andere, de werelden in het oosten binnengaan, de ene na de andere de werelden in het zuiden, het westen, het noorden, het zuidoosten, het noordoosten, het zuidwesten, het noordwesten, het zenith en het nadir binnengaan."
Dit is maar een kort stukje van paginalange voorbeelden.

We vinden in de vroege manuscripten van het Kleine Voertuig twee plaatsen waar deze vorm van meditatie wordt genoemd. Het komt voor in de Rijtjes (AN), de Eka-nipāta, Catuttha vagga van de Pāli-theravāda-canon waar Boeddha over een aantal van zijn monniken vertelt waarin zij uitblinken. Zo zegt hij dat de monnik Ságata de meest vooraanstaande is "in het binnengaan in het element vuur."
Een andere plaats wordt door de redacteuren van "The Record of Linji"gegeven op p. 233 (Uitg. Honolulu Press 2008). Daar wordt gemeld hoe deze meditatie, of dit supranormale vermogen, of dit inzicht in het concept 'ledig van essentie' voorkomt in de Vinaya van de Mahāsásika (T22:22a): "... Hij sprong op in het oosten en verdween in het westen; hij sprong op in het westen en verdween in het oosten." De Mahisāsásika was eveneens een vroege Kleine Voertuig-stroming, die als zodanig niet meer bestaat. De chan- of zentraditie van Linji (spreek: lìndji; Jap. rinzai) gebruikt dit beeld als testmethode om te zien of de leerling al "een ware volgeling van De Weg" is geworden, dat wil zeggen, of hij de bomen en het bos van elkaar kan onderscheiden.

Er is een andere nog steeds gebruikte meditatie, die op de brahmavihāra(2), de Verheven Staten, die het heeft over 'binnengaan'. De gebruikelijke manier is - zo wordt het ook aanbevolen in de vele soetras en soettas die deze meditatie hebben opgenomen - om beurtelings de vier windrichtingen, het nadir en het zenith binnen te gaan, te doorstralen, met vriendelijkheid, daarna met mededogen, dan met medevreugde, en uiteindelijk met gelijkmoedigheid.

De concentratie die hier besproken wordt, die van boek 27, wijkt wel enigszins af van die besproken werd in boek 12. De meditator ziet de verschijningen en handelingen van de Boeddhas, hoeveel het er zijn, en "de eenheid van die menigten, de veelheid van die menigten, de plaatsen van handeling van die menigten, de verblijfplaatsen van die menigten, de ontwikkeling van die menigten, de training van die menigten, de waardigheid van die menigten -- al dit zien ze heel duidelijk."

In deze beschrijving(1) vinden we ook de voorbode van cijferreeksen zoals die gegeven worden in boek 30, en er wordt gesproken over "vier continenten, het zonnestelsel, en de melkweg".

Noten
(1) De concentratie genaamd "Kennis van de verfraaiingen van Boeddhas in alle werelden." Zie hieronder.
(2) De brahmavihāra staan opgesomd in Boek 25.




"In iedere tijd, doorheen het verleden, het heden en de toekomst, realiseren (vervolmaken) ze alle wegen naar bodhi, en in iedere [ieder moment van] bodhi bevatten ze wat alle Boeddhas te zeggen hebben."

De tekst heeft het over "iedere bodhi", iedere Verlichting. Die successieve momenten van Verlicht Weten worden even verderop "poorten" genoemd, poorten naar bijvoorbeeld de Bodhisattva's kennis en sati, volle aandacht, poorten naar de praktijken van Samantabhadra, enzovoorts. In ieder geval geeft deze tekst aan dat bodhi er niet in één klap is, maar dat er verlichtende momenten zijn die allemaal samen opgeteld naar het ultieme Weten of de ultieme Wijsheid leiden.
Nog weer iets verder wordt verteld wat de resultaten van het cultiveren van die poorten zijn. Zo verkrijgt de meditator angstloosheid als die van een leeuw. Het is een gedachte die de veronderstelling versterkt dat hier ofwel de samensteller van dit deel van de Avatámsaka kennis had van de streek die vroeger met Perzië werd aangeduid, ofwel dat die samensteller zelf uit die westelijke streken kwam.
"Ze [de Bodhisattvas die zo cultiveren] bereiken het rijk van de werkelijkheid, en verblijven in de oneindigheid ..."

De oneindigheid waarover hier wordt gesproken is het tijdloze moment waarin de meditator verkeert wiens samādhi succesvol verloopt. De eerste pagina van dit boek sprak er al over.


In boek 27, nadat hij zijn gesprek met Bodhisattva Universeel Oog tot een voorlopig einde heeft gebracht, draagt Boeddha Bodhisattva Samantabhadra op de Tien Concentraties uiteen te zetten. Pas dan wordt hij manifest.
Dat verzoek volgt op de in de eerste pagina gegeven korte dialoog. Boeddha vertelt Universeel Oog dat de Tien Concentraties de volgende zijn:
1/ De grote concentratie op universeel licht
2/ De grote concentratie op subtiel licht
3/ idem op de achtereenvolgende reizen naar de Boeddhalanden
4/ De grote concentratie van de handelingen van de zuivere, verheven geest
5/ idem van de kennis over de bijeengegaarde en opgeslagen verfraaiingen uit het verleden
6/ idem van de schatkamer van licht van kennis
7/ idem van de kennis over de verfraaiingen van de Boeddhas uit alle werelden
8/ idem over de verschillende lichamen der wezens
9/ idem over de vrijheid in de elementaire cosmos, en
10/ De grote concentratie over het door niets gehinderde wiel.

Nadat de tien concentraties zijn opgesomd zegt Samántabhadra, "Wanneer Bodhisattvas deze met vreugde en respect aanvaarden, ze zonder onderbreking cultiveren en in praktijk brengen, dan zullen ze in staat zijn ze tot vervulling te brengen; zulke mensen worden boeddha genoemd ...."
Aanvaarden is het onderwerp van boek 29
Het is niet alleen de eerste keer dat hier in de Avatámsaka Soetra het woord 'mensen' wordt gebruikt inplaats van 'wezens', maar het is ook de eerste keer dat mensen die op een bepaalde manier cultiveren is-gelijk Boeddha zijn. Wat er verder bij opvalt is dat deze cultivators niet Bodhisattva-mahāsattva worden genoemd, maar 'gewoon' Bodhisattva, althans zo lijkt het. Maar een zekere inconsequente behandeling van nu eens Bodhisattva-mahāsattva, en dan weer Bodhisattva wordt in de volgende paginas (en voorgaande en volgende boeken) voortgezet, zoals onderstaand blijkt.

Het is niet voor niets dat latere commentatoren, zoals Ashva-ghosa, meenden dat de commentator recht zet wat in de Soetras door elkaar staat, want het is pas in een van de laatste paginas van dit boek dat er verder wordt ingegaan op het idee dat de op een bepaalde manier cultiverende mens Boeddha is. Daar vraagt Bodhisattva Universeel Oog een beetje verbaasd, "Wanneer Bodisattva-mahāsattvas dingen vervolmaken die de Boeddhas vervolmaken, waarom worden ze dan niet Boeddha genoemd?"
Wat Samantabhadra dan antwoordt is dat de cultivator pas, en alleen, Boeddha wordt genoemd du moment dat hij/zij succesvol de voorgenomen concentratie volbrengt (en, suggereert de tekst, daarna even niet meer, tot een volgende gelegenheid). Ook hier zal de Sōtō-zen-gemeenschap bevestiging in vinden omdat daar wordt gezegd dat neerzitten in meditatie, neerzitten in Verlichting is. Er moet wel bij vermeld worden dat bijvoorbeeld de Lankāvatāra Soetra laat weten dat er zes dhyāna zijn (en vier).


"Ze [de Bodhisattvas] zijn als het paleis van de grote watergeest die overweg kan met de kwellende hitte, en van waaruit de vier rivieren(1) stromen die vrij zijn van wervelingen en vervuiling, en die helder zijn als de lege lucht. ... Uit de Olifantenbron vloeit de Ganges voort; uit de Leeuwenbron vloeit de Siita voort; uit de Ossenbron vloeit de Sindhu voort, en uit de Paardenbron vloeit de Vakshu voort. ... Nadat ze aan de oppervlakte waren gekomen stroomden ze ieder zeven keer rond het grote meer, om daarna hun eigen weg te vervolgen."

Dit is een veelgebruikt citaat, en er zijn pogingen in het werk gesteld om de gezamenlijke bron van al deze rivieren te vinden.
Zo moeten we het waarschijnlijk niet zien. Hier was een monnik-auteur van langs de Zijderoute die nooit ver van huis was geweest, en die door immigranten uit de Tibetaanse hoogvlakten, met name die zuidwestelijke waar ook het meer Manosarovar ligt, op de hoogte werd gesteld over dat geweldige land, de bron van genoemde rivieren.
De Ganges, zeggen hindu-pelgrims naar de oorsprong van de voor hen heilige rivier, ontspringt onder de 7.817 meter hoge Nanda Devi, de godin van vreugde; de Sindhu of Indus-rivier ontspringt daar niet ver vandaan. Welke rivier vroeger de Sita heette is in de loop van de tijd verloren gegaan, wellicht was het de Saráswati die nu dood loopt in het woestijnzand, en de Vakshu is de hedendaagse Oxus die ook daar ongeveer, maar wel een eind verder weg zijn oorsprong vindt.
De auteur van dit zevenentwintigste boek stelt zich dan voor dat alle vier, nadat ze tot ontstaan waren gekomen, zeven keer respectvol om het grote meer heen cirkelden. Dat meer wordt verderop "Zonder Hitte" genoemd, en reizigers die Manosarovar bezocht hebben kunnen de koude van dit meer bevestigen.
In boek 32 zullen we nog een aantal geografische aanknopingspunten vinden, hoewel daar geen gewag wordt gemaakt van rivieren.

Waar het hier om draait zijn niet de geografische gegevens, maar de voorstelling dat de Gerealiseerde zo'n verhevene is geworden dat uit hem, dat paleis, die koele zaal, het edelstenen en edele mineralen bevattende water vloeit. Van de Ganges zegt de tekst dat deze zilver bevat, de Sita bevat diamant, de Sindhu bevat goud, en de Vakshu bevat lapis lazuli.
De twee edelstenen, diamant en lapis lazuli, staan voor de onvernietigbaarheid van de Dharma, resp morele perfectie. Zilver zou kunnen staan voor de melkweg, en goud voor de aarde, hoewel dit niet zeker is. Als dit zo is wordt hier de Bodhisattva de Dharma-kaya voorgehouden, Boeddha -- maar hij is er nog niet. De laatste delen van boek 27 maken opnieuw duidelijk dat de Bodhisattva dan wel in potentie Boeddha is, dat hij/zij die staat in de succesvolle meditatie-concentratie alvast bereikt heeft, maar dat ze in die staat nog "in het rijk van werkelijkheid"(2) verkeren dat nog niet finale Verlichting is, want daar "ontwikkelen ze de wil tot Verlichting" en stevenen af op het hoogst haalbare menselijke(3), hoewel ze van daaruit dan toch een Verlicht bewustzijn realiseren dat "ruimtegelijk" is, waarin ze afgescheiden zijn van "onderscheid aanleggende (of dualistische) gedachten."
Noten
(1) Zie boek 35 voor een Nirv&$257;na-Soetra-opvatting over 8 grote rivieren.
In de Pali Angúttara Nikāya, de Attha-katha, vinden we de eerste opsomming van vier grote rivieren, de Yamuna, de Aciravathī, de Sarabhu en de Mahi.
(1) boek 21.
(2) Hier wordt herinnerd aan Sakyamuni Boeddha, en de aan hem voorafgaande Boeddhas die in mensengedaante over de aarde gingen.




Naar bijlage 2, onverstoorbaar, realiteit en illusie, pad van de leraar
Naar bijlage 3, zoheid, elementaire cosmos, het tiende stadium

Terug naar de eerste pagina

Het woord Bloemenkrans staat voor Perfecties die we kunnen behalen en dan als het ware aanbieden aan Boeddha die ons geleerd heeft wat die Perfecties zijn en hoe ze vergaard moeten worden.

Een engelse vertaling werd uitgegeven door Shambala


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme