LANKAVATARA SOETRA


De Afdaling op Lanka

Hoofdstuk 1



   
(I) Om! Eer aan de Drie Juwelen! Eer aan alle Boeddhas en Bodhisattvas!
Hier volgt een zorgvuldige weergave van de Soetra over de Afdaling op Lanka waarin de Heer van de Dharma spreekt over de substantieloosheid van alle dingen.

Aldus heb ik het gehoord. Eens verbleef de Gezegende in het Kasteel van Lanka dat gezocht moet worden op de top van de berg Malaya, nabij de grote oceaan. Die bergtop was versierd met bloemen gemaakt uit diverse edelstenen. Op dat moment was Boeddha omringd door een groot gezelschap monniken en een menigte Bodhisattvas die vanuit vele Boeddhalanden waren samengestroomd. Deze Bodhisattva-Mahāsattvas, met Mahāmati aan het hoofd, hadden allen perfectie bereikt in de verschillende Samādhis, in de [tienvoudige] beheersing van het zelf, in de [tien Boeddha- en Bodhisattva-]krachten en de zes bovennatuurlijke vermogens, en alle Boeddhas hadden hen de handen opgelegd. Zij hadden een goed begrip van de betekenis van zowel de wereld-van-objecten als van de manifestatie van hun eigen bewustzijn. [2] Ze wisten hoe je verschillende leer- gestalten, leringen en disciplines overeind moet houden, aangepast aan de verschillende mentaliteiten en gedragingen van wezens. Ze waren grondig getraind in de vijf Dharmas (noot 7), de [drie] Svabhāvas (noot 8), de [acht] Vijñānas en het tweevoudige niet-zelf.

Toen, na zeven dagen te hebben gepredikt in het paleis van de koning der zeedraken, kwam de Gezegende uit dit paleis tevoorschijn en werd begroet door een grote menigte Nagakányas, waaronder zich ook Sakra en Brahma bevonden. Naar Lanka op de berg Malaya kijkend glimlachte hij en zei: "Ik zeg dit met met kennis over de Tathāgatas uit het verleden; hen heb ik in gedachten, Tathāgatas die Arhat waren, en Volmaakt Verlicht: ook zij spraken deze Waarheid, in ditzelfde kasteel van Lanka op de top van de berg Malaya. Ook zij spraken over dat Weten dat gerealiseerd kan worden dankzij de nobele wijsheid die je diep binnen in je draagt, die wijsheid die voorbij het redeneren van geleerden gaat, en zelfs voorbij het bewustzijn van Toehoorders en Zelf-Verlichtten. Ook ik zal nu, speciaal ten behoeve van Rāvana, Heer der Heren over de Yakshas, spreken over dit Weten.

Geďnspireerd door het supernatuurlijke vermogen van de Tathāgata hoorde Rāvana, Heer over de Rákshasas, zijn stem. En inderdaad, de Gezegende, omstuwd door ontelbare Nagakányas, en vergezeld van Sakra en Brahma, kwam nu uit het paleis van de koning der Zeedraken. De golven van de oceaan aanschouwend en de geestestoestand ziend van de menigte om hem heen, dacht hij aan die oceaan die het Opslagbewustzijn vormt, waarin de immer in beweging zijnde Vijñānas (bewustzijnen), als waren het golven, voortdurend aan de gang worden gehouden door (,als het ware,) de constante winden die in het (omvattende) bewustzijn worden aangewakkerd door het ervaren van de wereld-van-objecten. Terwijl hij daar zo stond zag Rāvana hem en gaf een schreeuw van vreugde. Hij zei, "Ik ga er heen; ik zal de Boeddha vragen om Lanka te betreden, want deze lange, komende nacht zou hij, als hij kwam, waarschijnlijk zowel goden als mensen profijt brengen, goed doen, blij maken."

Toen kwam Rāvana, Heer over de Rakshasas naar de plaats waar de Gezegende was, rijdend in zijn bloemenwagen, vergezeld van zijn personeel. Daar aangekomen stapten Rāvana en zijn manschappen uit. En terwijl ze drie keer om de Gezegende heen liepen, de rechterschouder naar hem toegekeerd, bespeelden ze een muziekinstrument; ze sloegen er op met een drumstick van blauwe Indra (safier). En spelend op een luit die ingelegd was met de beste kwaliteit lapis lazuli, een luit die ze naar een kant over de schouder droegen aan een onbetaalbaar duur lint, geel-wit als (het medicijn van de) Priangu, zongen ze. Hun stemmen harmonieerden fraai met de klank van de fluit en de cadans van de volgende gātha.

1. "Dit Weten, die rijke schat die als principe de zelf-aard van het bewustzijn heeft, is zonder zelf (nairatmyam). Dit staat boven alle redeneren, en is smetteloos rein. Het wijst naar de kennis die je in je diepste wezen hebt gerealiseerd. Heer, wijs me de weg naar dit Weten.

2. "De Welgegane is het lichaam waarin smetteloze waardigheden zijn opgeslagen. In hem zien we zowel het getransformeerde als het transformeren. Hij mag zich verheugen in dat Weten dat hij diep binnenin zichzelf heeft gerealiseerd. Mocht hij Lanka toch bezoeken! Muni, Wijze, nu is de tijd!

3. "In het verleden was Lanka de verblijfplaats van de Boeddhas. Ze waren omringd door hun [Dharma-]zonen in velerlei gedaanten. Heer, toon me nu de hoogste Waarheid; al die verschillende Yakshas zullen luisteren."

Daarna ging Rāvana over op het Tótaka-ritme (= een metrum waarin de 3de, 6de, 9de, en 12de lettergrepen zwaar aangezet worden, en de rest lichtjes) dat zich (als begeleiding van zingzeggen) goed leent voor de volgende gātha.

4. "Na zeven nachten staat de Gezegende die de oceaan, verblijfplaats van de Mākara, het paleis van de zeekoning, verliet, nu op de kust.

5. "Nu, op het moment dat Boeddha verrijst gaat Rāvana, vergezeld van vele Apsaras en Yakshas, vergezeld van Suka, Sárana en geleerden

6. "als door een wonder naar de plaats waar de Heer nu staat. Uit de bloemenwagen komend groet hij eerbiedig de Tathāgata, overhandigt geschenken, zegt zijn naam, en staat terzijde.

7. "Ik, die hier gekomen ben, wordt Rāvana genoemd, de tienhoofdige koning van de Rakshashas. Vergun mij de eer mij en Lanka met al zijn inwoners te ontvangen.

8. "Dit is wat ik zeg, in deze stad werd door Verlichtten uit het verleden, Verlichtten die de diepste staat van bewustzijn realiseerden, het Weten onthuld, hier op deze bergtop die versierd is met kostbare juwelen.

9. "Laat dan nu ook deze Gezegende, deze Overwinnaar, omringd door zijn [Dharma]zonen, de smetteloze Waarheid onthullen, hier, op deze bergtop versierd met kostbare edelstenen. Wij en de inwoners van Lanka zouden het graag horen.

10. "De Soetra over de Afdaling op Lanka, geprezen door Boeddhas uit het verleden, onthult hun diepste staat van bewustzijn, een staat die zij realiseerden en die in geen enkel ander religieus-filosofisch systeem te vinden is.

11. "Ik herinner me hoe Boeddhas, Overwinnaars uit het verleden, omringd door hun [Dharma]zonen deze Soetra reciteerden. Nu zal ook de Gezegende spreken.

12. "In tijden die nog komen gaan zullen er Boeddhas en Boeddha-zonen zijn die in hun medelijden met de Yakshas over deze magnifieke leer zullen spreken, hier op de bergtop versierd met edelstenen.

13. "Deze schitterende stad Lanka is getooid met een keur aan edelstenen, is omgeven door bergtoppen, is fris, koel en mooi, en er boven hangt een net van edelstenen.

14. "Gezegende, hier wonen Yakshas die vrij zijn van negatieve eigenschappen zoals hebzucht. Ze overdenken het Weten dat in je diepste innerlijk gerealiseerd kan worden, en offeren aan de Boeddhas uit het verleden. Ze geloven in het Grote Voertuig en zijn bereid elkaar correct gedrag te tonen.

15. "Er zijn jongeren onder de Yakshas, jongens en meisjes, die het Grote Voertuig willen kennen. Gezegende, kom, wees onze leraar, kom naar Lanka op de berg Malaya.

16. "De Rakshashas die in de stad verblijven en die Kumbhaharna als hoofdman erkennen zijn het Grote Voertuig toegedaan; ze wensen over die innerlijke realisering te horen.

17. "Ze hebben vol ijver offerandes gebracht aan de Boeddhas uit het verleden, en vandaag gaan ze dat weer doen. In de naam van het mededogen, kom naar Lanka, en breng uw [Dharma-]zonen mee.

18. "Mahāmati, ik geef u mijn woning. De Apsāras zullen u gezelschap houden; ik geef u een varieteit aan halskettingen, en ik geef u de heerlijke Asoka-tuin cadeau.

19. "Ik zelf zal de Boeddha en zijn zonen bedienen. Niets van wat ik heb zal ik achterhouden als het hen geschonken kan worden. Grote Wijze, heb medelijden met mij!

20. Toen hij Rāvana zo hoorde spreken zei de Heer over de Drievoudige Wereld: "Koning der Yakshas, de Leiders uit het verleden bezochten deze berg van edelstenen.

21. "Uit compassie droegen ze aangaande dat Weten dat zich toonde in hun diepste bewustzijn, hun inzicht aan u over. En ook de Boeddhas van de toekomst zullen, hier op deze zelfde juwelenberg, hetzelfde verklaren.

22. "Dit diepste Weten is dat wat de yogins zien; het is tezelfdertijd hun verblijfplaats. Yaksha-koning, u hebt dezelfde compassie als de [andere] Súgatas en ikzelf."

23. Door stil en onbewogen te blijven stemde De Gezegende toe, en stapte in de bloemenwagen die Rāvana hem aanbood.

24. En zo bereikten Rāvana en de anderen, wijze zonen van de Overwinnaar, al zingend en dansend de stad.

25. Aangekomen in deze heerlijke stad was Boeddha opnieuw het voorwerp van alle mogelijk eerbetoon: de Yakshas, Rāvana inbegrepen, en de Yaksha-vrouwen eerden hem.

26. De jongere Yakshas, jongens en meisjes, offerden hem een net van juwelen, en Rāvana omhing Boeddha en zijn zonen met halskettingen versierd met edelstenen.

27. De Boeddha, omringd door Boeddhazonen en wijzen aanvaardde deze offerandes; hij sprak over het Weten, over die staat van geest die diep binnenin je gerealiseerd wordt.

28. Rāvana eerde deze beste van alle sprekers. Hijzelf en het gezelschap Yakshas eerden (bodhisattva) Mahāmati, en de anderen verzochten hem meer dan eens de Boeddha te vragen een en ander te herhalen: [Rāvana zei:]

29. "U (Bodhisattva-mahāsattva Mahāmati,) bent degeen die de Boeddhas uit het verleden consulteert over die staat van bewustzijn die zij in zichzelf realiseerden, een onderwerp waarover wij, Yakshas zowel als de Boeddhazonen willen horen. Ik, uit naam van de Yakshas, de Boeddhazonen en de wijzen, verzoek u te spreken.

30. "U bent de beste van alle sprekers en de yogin die de grootste inspanning levert. Vol vertrouwen stel ik nu mijn vraag: Vraagt u, Kundige, toch de Boeddhas [uit heden en verleden] omtrent deze leer.

31. "De Kennis die in het diepste bewustzijn wordt gerealiseerd heeft niet de fouten die geleerden, Zelf-Verlichtten en Toehoorders maken. Dat Weten is volkomen rein en leidt uiteindelijk tot de staat van Boeddhaschap."

32. Daarop creëerde de Gezegende juwelenbergen en andere voorwerpen die schitterend waren versierd met edelstenen - een immens aantal.

33. Op de top van iedere berg toonde Boeddha zowel zijn gedaante als die van Rāvana en de Yakshas.

34. Zo was de hele vergadering op iedere bergtop zichtbaar, en alle [Boeddha]landen waren daar, en in ieder sprak een Leider.

35. Ook hier waren de Koning der Rakshasas en de bewoners van Lanka, en de Lankas die de Boeddha zo manifesteerde konden zich meten met elkaar en met de echte.

36. Daar waren nog meer dingen: daar was het Asoka-park met zijn glanzend gebladerte, en op iedere bergtop ging Mahāmati te rade bij de [menigte vroegere en huidige] Boeddhas

37. die de Leer verklaarden voor de Yakshas, die Leer die leidt tot de diepste realisering. Op iedere bergtop sprak Boeddha een gehele soetra. Hij sprak met een prachtige, welluidende stem, met honderdduizend verschillende stembuigingen.

38. Hierna losten de Leraar en zijn [Dharma-]zonen op in lucht, en lieten Rāvana daar staan, in zijn woning.

39. Die dacht: "Wat is dit? Wat heeft dit te betekenen? Wie heeft het gehoord? Wat heb ik gezien? Wie heeft het nog meer gezien? Waar is de stad? en waar is Boeddha?

40. "Waar zijn die landen, waar zijn die als juwelen glanzende Boeddhas, die Súgatas? Heb ik gedroomd? Was het een visioen? of hebben hier de Gandharvas een luchtkasteel gebouwd?

41. "Of had ik stof in mijn ogen, of zag ik een luchtspiegeling, of was het een gedroomd kind, als dat van een onvruchtbare vrouw, of was het als rook dat van een vuurwiel afkomt? Was het dat wat ik hier zag?"

42. Toen overwoog Rāvana: "Dit is de ware aard (dharmatā) van alle dingen; ze behoren tot het rijk van de geest, en dit is iets dat onwetenden, omdat ze verward raken door iedere vorm die de geest zichzelve schept, niet kunnen vatten.

43. "Daar [in die ervaring van dharmatā] is noch degeen die ziet, nog het geziene; daar is noch spreker noch het gesprokene; daar is noch de vorm van de Boeddha noch die van zijn Dharma, noch de manier waarop ze verschijnen - het zijn niets dan voorstellingen in de geest.

44. "Zij die nu de dingen nog steeds zien als voorheen, zien Boeddha niet. Wanneer het relatieve weten (vikalpa) wordt aangewend zie je Boeddha niet. De Boeddha, die volmaakt verlicht is, wordt gezien waar de wereld geen gestalte heeft."

Toelichting bij tekst 1

1. - Een paar woorden over de eerste passage van deze Soetra.
Hier vaart Boeddha over zee en brengt een bezoek aan Naga-land, dat vandaag ruwweg Tamil Nadu en een deel van Andhra Pradesh omvat. Naga kan in dit verband vertaald worden met zeedraak of zeeslang.
Stel dat Charles Allen (Coromandel, London 2017) gelijk heeft wanneer hij meent dat de Arya vanuit de centraal-aziatische steppen India binnentrokken, dan heeft hij waarschijnlijk ook gelijk wanneer hij zegt dat deze vroege migranten de in tropische streken levende koningscobra, volwassen lichaamslengte ca 3 m., niet kenden. Indien dat bewezen of aannemelijk gemaakt zou kunnen worden, dan is zijn opvatting aannemelijk dat deze Arya, geschrokken, bang, en niet wetend wat te doen anders dan in stukken hakken, in eerste instantie de aartsvijand van de cobra werden, om er na verloop van enkele eeuwen aan te wennen en hen op te nemen in vedische (zie 'veda') rituelen. En wanneer dat aannemelijk is, begrijpen we waarom vanaf een zekere tijd de zuidaziatische trapleuningen van boeddhistische tempels voorzien zijn geworden van cobra-achtige wezen: de monniken hadden hen getemd; ze wisten wel raad met kwaaie apen.
Allen toont overigens ook (Coromandel p. 62) dat de jaďns, de andere 'seculiere' religie van India, ook tot een soort cobra-verering zijn overgegaan. Een bas-relief in Tamil Nadu toont een van de tirth-ŕnkara'overstekers' (zie uttaraná) — Parsh-vanáth, met een meerkoppige cobra boven zijn hoofd, zoals ook Sakyamuni Boeddha (zie 'uitspraak'; of Gótama, of Gŕutama Boeddha) in het minimeertje te Bodhgaya is afgebeeld met een veelkoppige cobra boven zijn hoofd. Hij zowel als Parsh-vanáth, zo zeggen de legenden, werd door dit dier beschutting tegen regen en onweer aangeboden. Wie het eerst kwam met deze legende, de jaďns of de boeddhisten .... waarschijnlijk waren het de jaďns, want Parsh-vanáth zou op de grens van de 9de en 8ste eeuw vWJ hebben geleefd, dus enkele eeuwen voor Boeddha. We moeten ook bedenken dat de indigenen van met name zuid-India gewend waren aan de aanwezigheid van de cobra, en we zouden ons kunnen voorstellen dat ze, geconfronteerd met de schrikreacties van relatieve nieuwkomers hun al bestaande slangenverering een beetje hebben aangedikt: wěj schrikken niet zo gauw.
Nu begrijpen we waarom, in tegenstelling tot de europese mythologie, de aziatische draak — we noemen hem/haar nu bij de bekende naam: naga (g als in 'good') — een gelukbrengend wezen is geworden: eenmaal getemd zorgt hij/zij bijvoorbeeld voor regen, en hij/zij ziet ook met zorgzaamheid toe op diegenen die de Boeddha-Dharma in praktijk brengen.

In de antieke cosmologie was de wereld een platte schijf. Waar de zeelui die over de kim verdwenen nu precies naar toe gingen, dat wisten weinigen. Dus wellicht gingen ze naar een of ander mysterieus land, een Naga-land. In deze Soetra vaart de Boeddha voorbij het eiland Lanka. Op deze manier toont hij zijn aanwezigheid en stelt de bewoners, inclusief de demon Rāvana die Lanka in zijn greep heeft, in staat zich voor te bereiden op zijn komst. Zijn schip verdwijnt over de einder, en wanneer hij na zeven dagen, omstuwd door een enthousiaste menigte, meegereisd vanaf een verre kust weer aan de horizon verschijnt is hij, uiteraard zeggen vele Lankanen dan, in Naga-land geweest, en zijn zijn vreemde begeleiders die er anders uitzien, zich anders kleden, een andere taal spreken en zich anders gedragen ongetwijfeld "Naga-lui", Nagakányas. Dat maakt indruk op Rāvana, temeer daar Boeddha ook wordt vergezeld door Sakra (Indra) en Brahma, de Oppergoden over hemel en aarde. Rāvana kennen we uit de hinduďstische epen. Rāvana was geen boeddhist, en daarom benaderde Boeddha hem met symbolen en voorstellingen die pasten in zijn culturele bagage. In deze hele episode zien we dus wat wij in het boeddhisme noemen Boeddha's upaya, een vlot en vaardig middel. Dit keer wordt upaya ingezet om vredig en waardig een eiland te kunnen betreden waar de tienhoofdige Rāvana heerst. Om dat eiland succesvol te kunnen betreden zijn nu, op dit moment, de voorwaarden en condities vervuld: de winden zijn gunstig, de Boeddha vaart langs, de eilandbewoners hebben voldoende "good roots" om de lang niet makkelijke Dharma te kunnen ontvangen, en Rāvana staat op het punt te veranderen van een gewelddadige demon in een vredig wezen. Dat de eilandbewoners "good roots" hebben wordt geďllustreerd door de passage waarin Rāvana zegt dat zijn onderdanen weinig last van hebzucht hebben, en bovendien vermeldt de tekst dat de bergtop is verfraaid met kostbare edelstenen. Edelstenen staan in boeddhisme voor perfecte kwaliteiten. Zo staat diamant voor verlichting, en vertegenwoordigt lapis lazuli perfecte moraliteit. Rāvana werd door de aan het boeddhisme voorafgaande hinduďstische gemeenschap daarom zo'n gemenerik gevonden omdat hij koeien wilde slachten, zelfs de heilige. De latere centraal-indiase en srilankaanse boeddhisten nemen het dan voor de demon op — barbaar, zouden we vandaag zeggen: helemaal geen gemenerik, hij was nog heel geciviliseerd op de koop toe. ("Barbaar" zou, samen met termen als "vooruitgang", "vrijheid", "gelijkheid", en "gerechtigheid" een sofisme genoemd moeten worden; het zijn termen die niet eensluidend, en mondiaal geldend, gedetermineerd kunnen worden.)


Op Sri Lanka, waar volgens bronnen deze soetra speelt(*), is een legende (of een historisch feit, 't is maar hoe je het bekijkt) levend die zegt dat Boeddha dit eiland drie keer heeft bezocht. Een van die keren zou hij het eiland bezocht hebben negen maanden na zijn Ontwaken, tijdens de vollemaanperiode van Phussa dat in december-januari valt. Hoewel Boeddha's Leer pas een paar eeuwen later door de zoon en dochter van koning-keizer Asoka naar Sri Lanka werd gebracht, voorzag hij bij deze gelegenheid dat de Dharma ooit op dit eiland gevestigd zou raken. Om dat proces te bespoedigen, zo wordt gezegd, predikte hij ten overstaan van de Yakka-clan, die daarop besloten zich op een ander eiland te vestigen, op Giri.
Yakka is een Pali-woord voor het Sanskriet Yaksha of Yaksa. We moeten er van uitgaan dat de beschrijving van de Yaksha in dit eerste hoofdstuk van de Lankávatara soetra een reactie is op deze sinhalese legende. In deze legende worden de Yakka (of Yaksha) voorgesteld als een volk dat Boeddha's Leer niet wilde of kon aanvaarden en daarom vertrok naar andere oorden. In de Lankávatara soetra wordt met grote nadruk gezegd dat de Yaksha Boeddha's toespraken erg waardeerden en ook bereid en in staat waren om wat hij hen voorhield in praktijk te brengen.
We mogen veronderstellen dat ook hier de discussie speelde over de inherente boeddhatuur, of anders gezegd, over de ingeboren mogelijkheid van alle wezens om op kortere of langere termijn de Dharma te begrijpen en tot realisering te brengen. Het onderwerp wordt vooral verwoord in zowel de Lotus soetra als in de Mahāyana Mahāparinirvāna soetra, twee latere geschriften van het Grote Voertuig. Het vormde een contrast met leerstellingen die aan deze twee latere leerstukken voorafgingen, en het onderwerp is lange tijd een diepgaand verschil van mening geweest tussen de oude en de nieuwe scholen van het boeddhisme, maar nu niet meer.

Zie voor upaya tekst 9 van Het Ontwaken van Geloof in de Mahāyana, eveneens onderdeel van deze site.
(*) Een archeologisch onderzoek uit 1909 aan de stūpa van Sīgiriya op Sri Lanka toonde hoe in de onderste van drie opengebroken en leeggehaalde relieknissen een paar platen van marmer uit Amarāvatī in India werden gevonden waarop in vage lijnen Nāga-figuren waren ingekrast. Amarāvatī, als oord waar boeddhisme werd beleden, floreerde tussen de 2de eeu vC en de 3de eeuw nC. De platen tonen een belangrijke Nāga-verering op Sri Lanka.

1. - Boeddhalanden. In het volgende boek van de Lankā, tekst 34 lezen we: "Er is geen Boeddhaland waar woorden bestaan; Mahāmati, woorden zijn constructen."
Deze zin wijst al enigszins in de richting van de latere interpretatie van "boeddhaland" als meditatief bereik.
Het woord "boeddhaland" als meditatieve staat komen we in de vroegste canonieke teksten niet tegen. Dat wil zeggen dat zijn tijdgenoten het vaak hadden over de historische Boeddha's meditatie, maar nooit de brutaliteit hebben opgebracht om dat te gaan beschrijven.
Het is pas in Buddhaghosa's Visúddhi-mágga, een veel later, semi-canoniek werk, dat we drie "Boeddhalanden" tegenkomen, waaronder het visáya-khčtta, domein van kennis, het derde is. (Het Pali Khčtta en het Hybrid-Sanskriet Ksétra betekenen "veld" of "domein", of "land".) Met het aan het licht komen van de redelijk late Reine Land-soetras van het mahāyāna die gecentreerd zijn rond Amitābha Boeddha's Sukhāvati, zijn latere stromingen op de proppen gekomen met andere reine landen waaronder het oostelijke, dat van de Helende Boeddha nog het bekendst is geworden.
Een veel vroeger mahāyāna-werk als de Avatámsaka soetra, heeft het veelvuldig over "boeddhalanden" als een soort al dan niet gevisualiseerde parallelle planeten, en stelt het voor als praktijken die naar Boeddhaschap leiden. Daaronder moeten we "vervolmaken van boeddhalanden" eerder verstaan als een aanscherpen van wijsheid en het realiseren van "wortels van het goede", meer dan "mediteren". De auteurs van de Lankā en die van de Avatámsaka zaten wat dat betreft ieder op een iets ander spoor.

2. - Bodhisattva-Mahāsattva. Zie de bodhisatvas-pagina, en ook het zesentwintigste boek van de Avatámsaka Soetra.

3. - Mahāsattva. Mahā betekent Groot, en sattva betekent wezen. Letterlijk staat hier dus Groot Wezen. Dit is een titel voor Bodhisattvas die Boeddha's Verlichting hebben gerealiseerd en nu die formidabele Boeddhakracht in de wereld aanwenden om anderen naar die zelfde staat te brengen. Bodhisattva-Mahāsattvas zijn min of meer gespecialiseerd. Groot Mededogen wordt Avalokiteshvara genoemd. Grote Wijsheid heet Manjushri. Perfecte (meditatieve) Activiteit heet Samántabhadra, enzovoorts. Echter, Grote Wijsheid toont zich in Mededogen, en Perfecte Actie gaat niet zonder Wijsheid; de Bodhisattva-Mahāsattva's specialisatie is niet eenzijdig of star. Zie ook de pagina over Manjushri bodhisattva.

6. - Samādhi. Een aardige vertaling hiervoor is het duitse woord Versenkung. Samādhi is een meditatieve praktijk of meditatieve staat.



Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme