Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






THAILAND EN ZUIDOOST AZIË

Aspecten van de moderne geschiedenis




Voor dit stuk zijn naast eigen observaties onderandere de volgende bronnen gehanteerd:
— Buddhism and politics in Thailand, Somboon Suksamran, Singapore 1982
— History of Cambodia Buddhism (III), Bhikkhu Santi (Tom Flint)
— Forest monks and the nation-state: an anthropological and historical study, J. L. Taylor, Singapore 1993
— Asian visions of authority: Religion and the Modern States of East and South-East Asia, Charles F. Keyes, Laurel Kendall, Helen Hardacre, Hawai'i 1994
— Forest Recollections: Wandering monks in Twentieth-Century Thailand, Kámala Tiyavanich, Honolulu 1997

Klik naar de volgende bijdragen:




2011/2012: Archeoloog Srisak Vallibhotama leidt geďnteresseerden rond langs de huidige Laotiaans-Thaise grens in het noordoosten van Thailand waar de oudst bekende boeddhistische sculpturen uit de 10de-eeuwse Dvaravati-periode dateren. Doorgaans wordt er van uitgegaan dat Srilankaanse monniken het boeddhisme in de 13de eeuw naar Siam/Thailand brachten.
Het begrip "Thaise woudtraditie" wordt in Westerse kringen over het algemeen gehanteerd voor die monialen die leerling zijn van Ajahn Cha (dzja) en zijn opvolgers. Tot die stroming behoort een heel kleine gemeenschap van Westerse monniken. Maar er zijn ook Thaise monniken, die zichzelf eveneens identificeren als woud-monniken, die tot een andere stroming behoren, de Mahanikay (of Mahānikāya)(3). En dan zijn er tudong-monniken die niets met groepering hadden — denk bijvoorbeeld aan Buddhadasa en aan Somdet(4) Toh, die ieder overigens niet meer dan één Westerse leerling hadden, en die dus als zodanig niet of nauwelijks een traditie in het Westen hebben gefaciliteerd. Als laatste zijn er dan nog (Westerse) monniken die de Ajahn Cha-stroming hebben verlaten, maar niet de (tudong-)woud-mindset en levensstijl.
Onze perceptie van het concept woud-monnik is enigszins eenzijdig gericht op die manifestatie in het Westen die nog de meeste aandacht krijgt, die van de Ajahn Cha-groepering. Hier en daar wordt deze Westerse groepering beschouwd als Dhammayut-monniken, een stroming die door Mongkut (later koning Rama-IV) werd gesticht, maar of dit feitelijk juist is wordt door anderen dan weer betwijfeld. Daarover hierna meer.

Met woud-monniken, de formele betiteling is "tudóng"(1), wordt bedoeld die stroming die zich richt naar meditatie en naar een zo exact mogelijk leven volgens de als oorspronkelijk ervaren theravāda Monnikscode (vinaya). Ze leven of leefden zoveel mogelijk teruggetrokken in landelijke gebieden, en volgen in feite de Laotiaanse gewoontes; op dat laatste wordt zelden of nooit gewezen. Deze Orde richt het onderwijs, of liever, de leringen, op het overdragen van persoonlijke ervaringen, die dan worden geplaatst binnen het kader van wat wordt ervaren als de Boeddha-Dharma, en waaruit de toehoorder een levenshouding kan leren.

Antropoloog Tiyavanich heeft de intenties van verhalen die een tudong-monnik vertelde in de gaten gehad. Ook zij begreep dat ze niet worden beschouwd naar het wat, waar, wie, hoe, en wanneer, maar worden beoordeeld naar de manier waarop de verteller omging met de situatie, of naar de manier waarop een ontmoeting (bijvoorbeeld met een wild dier) werd ervaren. De toehoorder, zelfs op het afgelegen platteland, had toch genoeg kennis van het boeddhisme om te kunnen beoordelen of de tudong-monnik hier in wijsheid, en/of gelijkmoedigheid, en/of altruďstische vriendelijkheid had gereageerd en gehandeld of niet.(2)
De verhalen zijn hier en daar opgeschreven, maar het ging niet om de verhalen, het ging om de toehoorders, en wat die er uit konden leren.

Er wordt gezegd dat de tudong-traditie aan het uitsterven is omdat er bijna geen wouden en tijgers meer zijn. Dat is onjuist. Daar zijn andere uitdagingen voor in de plaats gekomen, inclusief fundamenteel existentiële. Genoeg onderwerpen om de tudong-traditie aan de gang te kunnen houden.


(1) Tudong (spreek: toedňng) is een verthaising van het Pali dutánga, een cultivering die tegen het ascetisme aanleunt en waarvoor fysieke en mentale kracht belangrijker zijn dan intellectuele capaciteiten.
In feite is tudong een herbeleven van Boeddha's uiterste inspanning, vlak voordat hij Ontwaakte. Op een ander moment zal Boeddha gezegd hebben, "al drogen mijn huid en mijn botten volledig op, ik zál het behalen". Naar laatste analyse zijn ook langdurende zen-retraites en de langdurende solitaire meditatieve praktijk binnen het Himalaya-boeddhisme manifestaties van dutánga.

(2) Eigenschappen als gelijkmoedigheid en universele vriendelijkheid worden gewantrouwd door met het Rode Khmer-tribunaal meegereisde westerse psy's in Cambodja. Ze zouden wijzen op karakterzwakte en aanleiding geven voor sociale uitbuiting van personen die "hun gevoelens" niet mogen uiten. Overlevenden en nabestaanden móeten rouwen, móeten haten, anders is er geen genezing mogelijk, zo is het adagium.
Onder invloed van wijzigende materiële omstandigheden veranderen alle culturen. Maar tussen veranderen en vernietigen zit een brede marge.

(3) Het woord nikāya komt voor in de late, nu gehanteerde Pali-anthologieën van het theravāda-boeddhisme waar dit woord staat voor een collectie canonieke werken: de vier Nikāya. Nikāya moet onder andere geleend zijn uit de sautrāntika-stroming die enige tijd op Sri Lanka aanwezig was. We vinden het daar onder andere in nikāyasabhāga: homogene serie die een bestaande uitmaakt. Daar, op Sri Lanka is het gebruik van het woord nikāya binnen de theravāda-context begonnen. Naast het lenen uit het sautrāntika-vocabularium kwam men het woord ook tegen in de (Sanskriet) Divyāvadāna, een collectie vertellingen uit de mūla-sarvāstivāda vinaya teksten (Div.159.15). Evenals de sautrāntika en de theravāda was de mūlasarvāstivāda een Kleine Voertuig-stroming die onderandere aanwezig was in Bengalen. De mūlasarvāstivāda was zowat de laatste of jongste Kleine Voertuig-stroming voordat dit conglomeraat van 18 Kleine Voertuig-scholen verdween. Uit de as ervan zou de nieuwe theravāda verrijzen, en dit betekent dat het onderverdelen van delen van de canon in nikāya is overgenomen van de sautrāntika (de sūtra-gerichten), en dat de onderverdeling naar nikāya in de zin van congregatie van monniken is overgenomen uit de boedel van de mūlasarvāstivāda (de vinaya-gerichten).

(4) Somdet (somdč) = "heer," afgeleid uit het Khmer: "samdech": "excellentie". Het betekent in Thailand, sinds het begin van de 20ste eeuw, dat een monnik met deze titel een adviseur des konings is, althans op het gebied van het georganiseerde boeddhisme. Ook de koning zelf heeft somdet als een van zijn titels. De titel wordt vooral gebruikt voor de monniken die van overheidswege zijn aangesteld als landelijk hoofd over de hele gemeenschap. Zo heten ze dan bijvoorbeeld Mahā-sŕngha: Grote Gemeenschap. Dat dit landelijk overste zijn tegenstrijdig is aan de bepalingen in de monialencode (vinaya) zullen de overheden wel weten, maar ze trekken er zich niets van aan, en het kan zijn dat monniken die worden uitgenodigd zo'n functie op zich te nemen zich tussen twee vuren weten: enerzijds de monialengemeenschap willen vertegenwoordigen, en anderzijds eigenlijk niet aan het verzoek kunnen voldoen omdat in principe iedere leefgemeenschap autonoom dient te zijn. Of hierin de passiviteit van veel van deze colleges gevonden moet worden is een vraag die gesteld mag worden.
In het aan de twintigste eeuw voorafgaande Lao-boeddhisme was een somdet een monnik van de laagste rang. We hebben hier daarom te maken met een slecht begrepen culturele adaptatie van een begrip uit een nabuur-land.


Hiërarchiseren en "verburgerlijken" van Thaise sangha

Al in 1455 stelt koning Trailok van Ayudhya een wet in werking waarbij de bevolking wordt onderverdeeld in een vertikale bestuursstructuur.
Er mag verondersteld worden dat de koning zich met zijn onderverdeling baseerde op het Chinese voorbeeld waarbij de keizer zijn administrateurs naar rang en klasse onderverdeelde. Later zullen we deze overeenkomst herkennen aan de hand van het Chinese voorbeeld waarbij de keizer een minister van de Linker Flank had, en een van de Rechter Flank. koning Rama-III zal dit idee op zijn manier interpreteren; hij had een monniksraad van de Linker Flank en een van de Rechter Flank. We mogen er aan herinnerd blijven dat de Chinese gemeenschap van boeddhistische monniken en nonnen tijdens de Tang-dynastie tot ambtenaar werd gebombardeerd en het bijbehorende tenue kreeg uitgereikt dat we in vereenvoudigde vorm nog steeds dragen. Rama-III liet in de buurt van Thonburi een tempel "Chinese style" restaureren, de Wat Ratchaoros Wararam.

In Thailand werd de monialen-gemeenschap hiërarchisch ingedeeld, en wel naar het Sákdina-systeem. Sak betekent macht in het Thais.
Het Sákdina-systeem werd afgeschaft tijdens de regering van koning Chula-longkorn (dsjoela-long-kórn) die ook een einde maakte aan een systeem van tempellanderijen of tempelinkomsten uit pacht. Het sákdina-systeem werd vervangen voor een hiërarchisch systeem dat wordt aangeduid met Sámana-sak. Een sámana is in strikte betekenis van het woord een thuisloze, dus in dit geval een monnik. De monniken-hiërarchie die sinds Chulalongkorn geldt is een bijna exacte kopie van de gewone ambtenaren-hiërarchie in Thailand, met de gewone monnik, respectievelijk de gewone burger onderaan de ladder, en de Patriarch, respectievelijk het Kabinet aan de top. Daarboven staat de koning die aan beide touwtjes trekt.

Om de monnik en de bevolking duidelijk te maken welke rang de eerste bekleedt, krijgt hij een ceremoniële waaier, een pat yot of een ngāsān uitgereikt die in kleur en tekst zijn status verklaart: wat hij binnen zijn beroepsdefinitie mag of kan, en wat hij nog niet mag of kan. Zo houdt een chao kana amphur zich bezig met het bestuur van de monniksgemeenschap in een district, maar kan niet op de stoel gaan zitten van de chao kana changwat, de provinciaal overste, die op zijn beurt ondergeschikt is aan de maha-thera-sama-kom, de raad van Ouderen die de somdet phra-sangha-rat, de Supreme Patriarch bijstaat.
Deze hiërarchische onderverdeling is een uitvinding geweest van het seculiere bestuur over Thailand. Op geen moment hebben de monniken er om gevraagd, en het komt al helemaal niet voor in de vinaya, de monnikscode of moniale regelgeving.

Zoals boven is aangegeven is de status van deze of gene monnik tijdens officiële gelegenheden af te lezen aan de kleur en opdruk van zijn pat yot. Een officieel erkende monnik heeft dus een monnikspasje en een pat yot die bij zijn status past.

Ook de Mahānikāy-stroming heeft tudong-, of woud-monniken, en bijvoorbeeld de bekende Ajahn Plien onderwijst zittend naast zijn pat yot. Met andere woorden, hij maakt niet zo'n punt van hiërarchie.

Enkele Westerse monniken uit de Ajahn Cha-traditie hebben een pat yot uitgereikt gekregen. Ze hebben dus niet alleen het monnikspasje dat hen officieel toegang verleent tot de Thaise monniken-gemeenschap, maar bekleden ook officieel een rang.

Koninklijke woudlopers, de Thammayut

Met het monnik worden van Monkut (van dan af Rama IV), en met de herstructureringen van de monniksadministratie die hij en zijn broer doorvoerden kwam er een formele tweedeling in de monniksgemeenschap. Onder invloed van "een monnik uit de Mon-etniciteit" kwam er een monniken-groepering die Boeddha's uiterst eenvoudige leven wilde naleven, de Thammayut(5), die altijd klein is gebleven, maar die door deze royale connectie wel een potje kon breken.
Taylor schrijft dat een zekere monnik Upali de pionier van de (woud-gemeenschap) Thammayut in Noord-Siam was (p.58). Siam is de oude benaming van Thailand. In 1904 ging Upali naar Bangkok, en daar werd een monnik met de naam "Phuum" de upatchá (upa-dhyá-ya in het Pali - wijdingmeester) voor de Thammayut, die ook woud- of meditatiemonniken levert, maar niet standaard en niet 100%.
Wat Supatanarám (een wat is een tempel-/kloostercomplex) werd het eerste Thammayut-klooster in N.O-Thailand. In het Thammayut Wat Photi-som-phón leefde een opvolger van de legendarische woud-monnik Mun, of Man die herbevestigd werd in de Thammayut, Mahā Jūm ([djóem] - 1888-1962) die pariyát monnik was, een die de canon bestudeerde. Het idee dat de hele Thammayut-gemeenschap als tudong-monnik door de wouden trok en wars was of is van bestudering van de canon is een scheeftrekken van historische feiten. Zie ook Tiyavanich p.37/8.


(5) Thammayut. Thamma = Dhamma = Leer; yut is afgeleid van yúttika of yukti: iets als taak opnemen.


De Grote Congragatie en de Thammayut

Met het aantreden van een Thammayut-gemeenschap werd de rest van de boeddhistische gemeenschap gedefinieerd als de Mahā-nikáya, de Grote Congregatie.

Hier en daar wordt tudong-monnik en Thammayut-monnik als een en hetzelfde gezien. Dat is niet altijd terecht. Spreken we over de zuivere tudong-monnik die zich in de rurale gebieden in de wouden terugtrok, om vandaaruit te communiceren met de dorpsbevolking, zonder dat regionale en nationale overheden daar grip op hadden, dan is de conclusie van monniken-tellers geweest dat de meesten nominaal tot de Mahānikaya (Mahanikai) behoorden. Maar omdat aanvankelijk de Thammayut zo formeel was in de opinie dat zij, en niet de anderen, de meditatie-lijn van Boeddha volgden, is het begrijpelijk dat de Mahā-nikáya wel de andere rol op zich moest nemen, die van expliciet, en soms uitsluitend tekstgericht, en meer uitgesproken maatschappijgericht. Het zijn niet de Bangkok-Thammayut en de Mahā-nikáya geweest die protesteerden tegen het "verambtenaren" of "verburgerlijken" van het monnikenbestand, uitzonderingen daargelaten. Maar de tudong-monniken, vooral die uit het noorden en noordoosten dat lange tijd de overheersing van "Bangkok" heeft weerstaan, bromden in hun baard, bij wijze van spreken.

Siam, een verzameling van autonome en semi-autonome koninkrijkjes werd geleidelijkaan Thailand. Met name de monniken uit het Noorden en Noordoosten stonden naast de gewone bevolking, ze hielpen mee bij het landbouwen, adviseerden bij geschillen, etc. De gewijde sangha werd beschouwd als de beschermers van de bevolking, vooral in de rurale gebieden, en het hebben van een wat in de buurt van een dorp was een zegen.(6) Het zich in Bangkok centraliserende gezag wantrouwde die groep geuniformeerden die opvattingen had over vrede, gerechtigheid, en saamhorigheid die niet altijd strookten met de politiek van dat moment. Het is dan ook niet voor niets dat bijvoorbeeld een Rama-III de centraliserende Tang-dynastie gaat imiteren, en chinesekeizertje gaat spelen met de monniken als zetstukken.


(6) In een bijlage bij het tijdschrift van de Korean Art Society (2010, Jongmyung Kim: "Ancient Buddhist scholiasts did not interpret the term kuo in a territorial sense.") wordt gezegd dat het woord "volk" ten onrechte naar het Chinees zou zijn vertaald met "kuo", land. Dit zou vooral in Korea de rechtvaardiging zijn geweest achter het gegeven dat de monnikengemeenschap in tijden van nood de natiestaat is gaan verdedigen en beschermen. Wordt "kuo" terugvertaald naar zijn oorspronkelijke betekenis van bv (in Pali) kāya, een groep, of groepen mensen, of kūla, een groep verwante mensen, of apāra, deze oever (de wereld van de niet verlichtte), of sama, gewone mensen, of idhaloka, mensenwereld, of parahita (het welzijn) van anderen, of asmiņ loke, deze wereld, dan zien we dat deze begrippen niet vergelijkbaar zijn met natiestaat, vaderland, of het in Europa bekende "vorst en vaderland". In Boeddha's tijd waren er wel volkeren en rijkjes, maar waren die rijkjes nog zozeer in een ontstaansfase dat het woord vaderland in de vroeg-boeddhistische canon niet voorkomt. Wanneer in die canonieke verzameling de koning wordt opgeroepen zorgzaamheid te betrachten, dan wordt gesproken over volk (sama), en niet over territorium. Wanneer de nomadische volkeren van langs de Zijderoute ter sprake komen, heeft men het graag over "regeren vanuit het zadel." Een uitzondering moet gemaakt worden voor de [d]jātaka, de verhalen over Boeddha's eerdere levens, die gedateerd worden op de 3de-12de eeuw. Daarin is veelvuldig sprake van de stad Tŕxila als een bepaald oord (in een bepaald land). De Thaise tudong-traditie maakte in toespraken en leringen graag gebruik van de jātaka.
Binnen de sūtrische boeddhistische canon duurt het tot de Avatámsaka sūtra en de Amitayurdhyāna sūtra, de meditatie op Amitābha Boeddha voordat we in deze tot de mahāyana behorende geschriften zinsneden tegenkomen waarin het concept land of eigen land in beeld komt, in de meditatie op Amitābha in meer fysieke termen dan in de Avatámsaka.



Tudong en hiërarchie

De eerste monniken uit de tudong-stroming uit het noordoosten en het zuiden hadden niets met de door de seculiere overheid bedachte monniks-hiërarchie. Ze uitten dat op typisch Aziatische manier: je zegt niks, maar je laat het zien.(7) We zullen noch van Ajahn Cha en de monniken die zich om hem heen groepeerden, noch van Buddhadasa bhikkhu een foto aantreffen waarop zij met hun pat yot poseerden: wij zijn monniken, wij doen wat des monniks is; doet gij, burger-administratie, wat het uwe is, zo zitten we elkaar niet in de weg.

Het is mogelijk dat met name de woudmonniken uit het noorden en noord-oosten (en Laos), waaronder Ajahn Cha, zich lieten inspireren door wat de "Yuan cult" is gaan heten (zie voor "Yuan" Suksamran p.35, Tiyavanich pp. 5, 37). De naam verwijst naar Kublai Khan's Yüan-dynastie (1279-1368), een dynastie die het drukken van de boeddhistische canon bevorderde, ook in het aangrenzende Korea waar voor het eerst werd gewerkt met metalen typen. De Laotiaanse/Siamese/Thaise monialen die tot de Yuan-stroming gerekend moeten worden hadden niets op met centralisatie van monniken-gezag, en ook niet met de opvatting van het theravāda-boeddhisme zoals de kringen rond de troon dat verstonden. Wat betreft wijding schrijft Keyes: "Het recht (of de macht) om monniken en novicen te wijden behoorde toe aan de senior-monnik in iedere tempel (apart), en hij (de senior-abt) kon dat recht (of die macht), op het moment dat zijn dood naderde, overdragen op een van zijn volgelingen." Dit is overigens de gang van zaken zoals deze beschreven wordt in de Kleine Voertuig-canon; niemand heeft hier iets zelf verzonnen; integendeel, de overheidsinmenging in wijdingen en tempeltoewijzing is een verzonnen traditie.

Dit zonder overheidsvergunning wijden, en de situatie waarin een tempel zelf besliste of het filiaal-tempels zou hebben en hoeveel dan wel, zonder tussenkomst van een districts- of provinciaal overste, leidde in de 19de eeuw tot een opstand. Cha moet daarvan geweten hebben toen hij zelf in een kleine tempel in het noordoosten intrad. Ze hadden lak aan de pat yot uitdelende hiërarchie, tot ongeveer 1960 toen de politiek-maatschappelijke situatie wijzigde en er ook een grootschalige deforestatie op gang kwam.(8)


(7) Ook met verwijzing naar Tiyavanich's (pp.14/15) onkunde aangaande de vinaya, de Orderegels, en de praktijk van de Onmetelijken, moet gewezen worden op de regel dat zeker van mede-monniken geen kwaad gesproken mag worden (vinaya), en dat gelijkmoedigheid beoefend en vervolmaakt moet worden (Onmetelijken).

(8) Later, in de tweede helft van de zeventiger jaren, ontstaat de groep Yuwasong, de Jonge Monniken. Met de FBT (Federation of Buddhists of Thailand) streefden ze een bestuurlijke en structurele vernieuwing van de monniks-hiërarchie na. Ze pleitten niet voor een afschaffen ervan. Aan het eind van een reformatie-poging in 1975 werd de "Sangha Act" uit 1962 — die door beide groepen als authoritair werd beschouwd — net niet vervangen; vlak voor de behandeling werd het parlement ontbonden, en het jaar erop zat er weer een authoritaire regering die reden zag om de monnikengemeenschap te wantrouwen: onruststokers. (Suksamran p.85, 123, 131) Er komen dan nog wat wijzigingen in de "Sangha Act". In 1991 wordt voorgesteld dat het niet meer de koning zal zijn die de Supreme Patriarch kiest, respectievelijk in zijn ambt bevestigt. Daartegen is luid protest aangetekend, en in september 2010 is het nog niet zover dat nagegaan kan worden of dit voorstel ook werkelijk uitvoering gaat krijgen.
In 2001 bevestigt een minister tijdens een parlementaire zitting dat het "(volledig) wijden van vrouwen beschermd wordt door de wet, maar dat de overheid niet de status van vrouwen binnen de gewijde gemeenschap kan garanderen omdat dit het terrein van de Sangha is." De "Sangha Act" waar naar verwezen wordt spreekt uitsluitend over monniken.
Overigens schrijft Tadayoshi Murakami in "Buddhism on the Border: Shan Buddhism and Transborder Migration in Northern Thailand" dat de Sangha Act van 1902 de "Chinese en Annamese (Vietnamese) monniken en tempels buiten beschouwing had gelaten omdat ze tot de mahāyāna-traditie behoren ..." En ook "een klein aantal theravāda-tempels ... " "zoals de Burmese en de Mon-tempels" (eveneens burmees van origine).


Ajahn Cha-nazaten en de tudong-mentaliteit

Of de Westerse monniken die in de Ajahn Cha-lijn gewijd zijn zich naar wijding Thammayut-monniken weten is niet altijd evident. Ajahn Cha, hun lineage-aartsvader, heeft zich in 1928 laten herbevestigen als Thammayut-monnik, de koninklijke lijn, zullen we maar zeggen. De monniks-hiërarchie in Bangkok heeft dit ook in die zin opgevat, en in dat licht is het dan ook begrijpelijk dat de koning aanwezig was bij Cha's crematie.
Er is een foto waarop Cha's eerste Westerse leerling, de monnik Sumedho, door de koning een pat yot in de vorm van een lotusblad krijgt uitgereikt, een neutrale vorm die wel waardering inhoudt, maar niets zegt over rang en status. En er is een foto van een andere westerse tudong-monnik (al dan niet uit de Ajahn Cha-stal) uit Birmingham die blij poseert met een soortgelijke waaier. Het woord Dhammayut valt in die kringen toch wel vaak.

Overigens heeft het Thaise bestuur een zelfgeschapen dilemma opgelost via vriendelijke woorden van bezoekers en even vriendelijke stukjes in kranten en tijdschriften: waar laat je op de hiërarchische ladder zo'n buitenlander? Welnu, doe in uw buitenland wat goed is; wees een dorps- of districthoofd, maar wees dat niet in Thailand.
Deze buitenlandse gemeenschap zal er blij mee zijn: erkenning, ook officiële erkenning is voor hen van groot belang. Diegenen die zich daartoe bekennen hebben er de oorspronkelijk tudong-insteek, die van wars zijn van een betrekken binnen het staatsapparaat voor opzij gezet, en dat is onder omstandigheden te begrijpen. Het brengt hen echter ook in grote verlegenheid waar het een zeker aanpassen aan nieuwe omstandigheden in Westerse landen aangaat.

Buddhadasa bhikkhu

2018
Op 8 juli 2018 herdenken veel theravādin dat de thaise woud-monnik Buddha-dása bhikku vijfentwintig jaar eerder overleed. De stichter en bouwer — bouwer in de letterlijke zin van het woord — van het zuid-thaise retraite-oord Suan Mokkh (tuin van bevrijding) had de leeftijd van 78 bereikt.
De laatste negen jaar van Buddha-dása's leven werd hij ondermeer bijgestaan door de amerikaanse monnik Santi-káro. Het was deze laatste die, enige tijd nadat redacteur dezes Suan Mokkh niet meer bezocht, aan de overkant van de weg een westerlingen-settlement realiseerde waar deze vrije gasten nadrukkelijk, en nonchalant, en lui mochten wezen, zonder de thaise retraitanten die zich aan hen ergerden in de weg te lopen.
Santikaro is na het overlijden van Buddhadasa nog even in Thailand gebleven, maar uiteindelijk weer naar Amerika getrokken, naar het burgerbestaan. In die hoedanigheid heeft hij een boeddhistisch centrumpje waar hij omringd door gelijkgezinden niet bijzonder zijn best doet om op te vallen. Santikaro loopt in 2018 tegen de 80, en mag het langzameraan doen.

Wie hem ontmoette weet dat Buddhadasa bhikkhu twee woorden engels sprak: "sit" en "down". De monnik wenste absoluut geen leerlingen ind e formele zin van het woord te hebben (hij wilde zich niet laten mis-citeren), en de conversaties met buitenlanders, als het conversaties genoemd kunnen worden, beperkten zich ook hier tot aanwijzen en "sit down" zeggen, behalve in die gevallen waarin een vriendelijke senior monnik die het engels machtig was als tolk fungeerde.

Buddhadasa's toespraken in de ochtend, die per luidspreker ook in de richting van de heerlijk koele bunker werden uitgezonden waar op Suan Mokkh de vrouwen verbleven — nog voor de tijd van de buitenlanders-vestiging aan de overkant — waren dan ook in het thais. Het was Santikaro die Buddhadasa's toespraken vertaalde. Hij verzorgde ook de engelse uitgave van een aantal andere werken van de monnik-leider, werken die meer theoretisch van aard zijn dan de ochtendtoespraken.
Santikaro's kuti (hut) was de enige op het terrein waar 's-avonds het licht mocht branden. Achter het vliegengaas zat dan de niet meer zo heel jonge Amerikaan zijn vingers beurs te tikken op een oude schrijfmachine. Een aantal boeken die door Santikaro zijn vertaald, soms "nagesynchroniseerd" door engels-sprekende Thai, zijn nog steeds verkrijgbaar, zeker via de internetboekhandels. Het zijn blijvertjes geworden.

Het grootste misverstand, niet in het minst binnen de thaise monniksgemeenschap en aan het thaise Hof, over de al dan niet vermeende vrijzinnigheid van Buddhadasa is ontstaan rond zijn boek "No Religion". Dat misverstand is in leven gehouden door traditionele monniken die van katholieke predikers hadden gehoord dat ze tot een "religie" behoren.
Uiteraard had Buddhadasa bhikkhu voor wat betreft het theravāda, plus de oude stromingen van het mahāyāna en het zen gelijk met zijn "No Religion". Voor deze scholen is boeddhisme geen religie, geen geloofsysteem, maar een manier van leven. Voor de eersten is het dat aan de hand van de leringen van de stichter Gáutama, Gótama, of Sakyamuni Boeddha, voor de zennis aan de hand van de adagia en aforismen van hun stichters (Dōgen, Linji/Rinzai), waarbij we er van uit moeten gaan dat de meesten onder de zennis niet rechtstreeks met de leer van de stichter aan aanraking zijn gekomen, resp. er niet mee in aanraking willen komen.
Kijken we naar het mahāyāna, en meer specifiek naar de leer rond Amitābha Boeddha en het Reine Land zoals zeker het oostaziatische boeddhisme dat volgt (Chin.: djiengtňe, Jap.: shien, Kor.: djoengtó), dan zien we dat ze wel zeker de vanuit de westen binnengebrachte term "religie" hanteren: "wij geloven in Boeddha", zonder overigens de Nabije-Oosten/westerse achtergrond en inhoudelijkheid van de woorden "geloven" en "religie" te kennen.

Buddhadasa bhikkhu's inzichten waren voor zijn tijd zo vernieuwend dat het Hof, dat het voor gewoonte had de crematie bij te wonen van de meest gewaardeerde monniken, geen tijd heeft vrijgemaakt om dat voor hem ook te doen, ook al werd het stoffelijke overschot twee jaar in de koelcel gehouden opdat de koning tijd in zijn agenda vrij kon maken.
Ik ben er zeker van dat al aan het begin van de 21ste eeuw het Hof spijt heeft gekregen van die beslissing: de onderwijzingen van Buddhadasa bhikkhu zijn op termijn, althans voor het theravāda, blijvend en relevant gebleven.



In Cambodja zal er vanaf 1864 sprake zijn van de Thommayut. Noch in Cambodja, noch in Burma zal de Thammayut/Thommayut zo de overhand krijgen als in Thailand. Ook al worden de woudmonniken daar nog zo gewaardeerd, het zijn de respectieve Mahā-nikāya geweest die het literaire boeddhisme propageerden, en dat nog doen, en die in beide landen, na het verdwijnen van de koloniale macht, hebben bijgedragen aan het opnieuw invoeren van het geschreven Khmer, respectievelijk het Birmees. Met name de Fransen hebben in Cambodja geprobeerd het Cambodjaans te latiniseren.




Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor boeddhisme