Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






JAPAN

Waar Helen Baroni zich in haar "Ōbaku Zen" zich voornamelijk beperkt tot een antropologisch-sociologische studie over het waar vandaan, het wie, de aantallen, de leeftijden van Ōbaku zenmonniken in de tempel te Nagasaki, gaat Tiphaine Bellambe een klein stapje verder door summier te verwijzen naar de zen-, danwel Reine Land-praktijk van het Ōbaku.


Dit samengaan van beide bovengenoemde stromingen werd in China in gang gezet door Yǐnyuán Lòngqí die in het japans Ingen Ryūki wordt genoemd. (De SCMP van begin mei 2017 was zo vriendelijk een afbeelding van hem online te zetten.) Hij leefde tussen 1592 en 1673 op de berg Wanfoe die beroemd is geworden als thuishaven van Huangbo die in het japans Ōbaku werd genoemd, of volledig: Ōbaku Kiun (spreek; kjóen). Huangbo/Ōbaku overleed in ca. 850 en hing een radikale zen-lijn aan waar de beter bekende Lin[d]ji (Japans: Gigen) de meest bekende vertegenwoordiger van werd. Niet-onderscheiden werd Huangbo's handelsmerk, maar Gigen wijkt daar al een beetje van af wanneer hij uitdrukkelijk stelt dat er subject en object zijn, en dat, zodra het ene er is het andere niet in de denkende geest aanwezig is: óf je piekert over het subject (ikke), óf over het object (de mens), maar in een en dezelfde gedachte subject en object samen aanwezig te laten zijn, dat lukt niet. Hetgeen hem leidt tot een (mijn woorden) "koppen dicht en denken uit!" (deel 4.)

(uitspraak van namen: Yǐnyuán Lòngqí = ongeveer: jín-jwèn lóng-zjie
Huangbo = ongeveer: hwang-bo
Ōbaku Kiun = ongeveer: obakoe kjoen)

In de zestiende eeuw is Yǐnyuán Lòngqí als theeknechtje op Poetwo-shan (schrijf: Putuo shan) in aanraking gekomen met die vorm van het Reine Landboeddhisme waar Quanjin (Ava loki teesj vara) wordt geëerd als leerlinge van Amitābha Boeddha: het mededogen als avatar van de Boeddha van het Reine Land, of ook, het Gelukzalige Land (Skr.: Soekhā-vati). Bij het overlijden van zijn moeder gaat Yǐnyuán Lòngqí, zoals hij na zijn volledige wijding zal gaan heten, terug naar de berg Wanfu, treedt officieel in in de tempel die in de zenlijn van Huangbo is verder gegaan, en praktizeert en studeert daar onder de meesters Mìyún Yuánwù en Fèiyǐn Tōngróng.
Beiden zijn doorheen de aziatische wereld van het zen heel bekend geworden. Mìyún Yuánwù staat in Korea bekend als Mirun Wǒno, in Japan als Mitsu-un Engo, en in Vietnam als Mât Vân Viên Ngô (een paar diacritische tekens van het vietnamees ontbreken).
Fèiyǐn Tōngróng heet in het Koreaans Piǔn T'ongyong, in het Japans Hi-in Tōyō, en in het Vietnamees Phí an Thông Dung.

In 1654 nodigt de van geboorte Chinees Itsunen Shöyû uit Hangzhou, China, Yǐnyuán Lòngqí uit naar Nagasaki. Het lijkt niet bekend te zijn hoe Itsunen Shöyû's naam in China luidde; dat geldt voor een aantal monniken uit de Ming-periode van China, hetgeen een teken zou kunnen zijn dat het land onder de oorlogshandelingen vanuit het Manchu/Mongoolse leger het land volledig op zijn kop had gezet. Een volk dat zo gebrand is op alles goed documenteren, en dan belangrijke namen niet terug kunnen vinden — dat is een zeker teken dat het niet goed ging.

In Nagasaki gaat Yǐnyuán Lòngqí aan het werk met 30 monniken en handwerkers. De laatsten zullen de Ōbaku-tempel bouwen — die na de atoombom-aanval op de stad, na 1945, opnieuw werd opgebouwd. Nagasaki was in deze zestiende eeuw de enige Japanse stad (naast het eiland Deshima) waar buitenlanders mochten komen. Dat wil zeggen dat de inwoners van tijd tot tijd Chinezen, Hollanders en Koreanen door de straten zagen gaan, en heel vaak was dat tussen de haven en het paleis van de shogun waar onderhandelingen plaatsvonden en handelsakkoorden werden gesloten.

Wat Yǐnyuán Lòngqí onderwijst wordt de derde weg van het zen genoemd. Hij combineert wat hij op Putuo shan heeft geleerd met dat waar hij op Wanfu in opgeleid werd. De hele zen-discussie over niet-onderscheiden (volgens Huangbo) en vergeten van subject en object (volgens Linji) laat hij terzijde, en laat zijn leerlingen focussen op de Amitābha-mantra, de naam van Amitābha Boeddha (de mantra gaat in het japans als: Namoe Amida Boetsoe), op een zodanige wijze dat niet het vereren van genoemde Boeddha het onderwerp van cultiveren wordt, maar het legen van gedachten, als we het zo mogen noemen. Het is overigens heel wel mogelijk dat de eerste paar generaties monniken die "nem-but-su" in het chinees uitspraken: Namo Omitofo.

Niettemin bijft Yǐnyuán Lòngqí een chinese monnik, dus met grote aandacht voor vorm als hulpmiddel c.q. raamwerk bij het realiseren van inhoud. In tegenstelling tot indigene japanse varianten van monnikschap waarbij het gros van de traditionele monniks-levensregels tegen die tijd al opzij was geschoven, bleven de Ōbaku-monniken gewijd naar de traditionele Dharmagupta Monnikscode, een van de Kleine Voertuig vinaya (meerv.), die dan wordt gevolgd door het opnemen van de 42, soms 43 mahāyāna bodhisattva-geloften die in China werd gehanteerd (spreek: Dharmagupta met g als in 'good').

De op de tempelriten van de chinese confucianisten geëntte tempelriten bleven gehandhaafd, en de Ming-stijl van tempelbouw werd in Nagasaki toegepast — ongetwijfeld ook omdat de meegebrachte ambachtslieden geen andere tempelarchitectuur kenden dan deze. Het is overigens de "Verboden Stad" in Beijing die het hoogtepunt van de Ming-architectuur toont.

Het was in opdracht van Tokugawa Tsunayoshi dat het eerste tempelgebouw, de Mampoekoe-dJie, in 1661 gereed kwam. In 1629 was die bouw al voorafgegaan door die van een andere Ōbaku-tempel, de Sofuku-dJi. We zien op de foto van de laatstgenoemde tempel de typisch chinese bouwstijl waarbij de houten pilaren op stenen onderstellen worden geplaatst, hetgeen hen beschermt tegen rot door stagnerend regenwater en uit de grond opkruipende insecten.

De handelsbetrekkingen tussen de Ming en de Tokugawa-periode waren intens, en dat wat we vandaag "culturele betrekkingen" noemen tussen landen die zaken met elkaar willen doen kwamen ook in die tijd al voor, temeer daar de late Ming te maken kreeg met Mongoolse vloten langs de kust.

Als nieuwigheid introduceerde Yǐnyuán Lòngqí de stoel. Zien we op oude prenten hoe monniken staan tijdens een dharma-toespraak door hun abt; van deze monnik mochten ze zitten. Het is goed mogelijk dat de lichamelijke gesteldheid van Yǐnyuán Lòngqí daarin meespeelde.

Het was de shogun die de monnik de posthume titel Daiko Fusho Kokushi verleende. Kokushi is een titel, fusho betekent 'no-birth' of ongeboren / altijd al aanwezig — geen sprake van vergaan of ontstaan', en daiko (spreek: dah-ii-ko) zouden we moeten zien als "Groot Licht".

Een andere Ōbaku tempel in Japan is de Senko-dji in Takayama. Het behoorde aanvankelijk tot een substroming van het tendai, de tendai jimonshu (tendai dji mon sjoe). Voor het overige is deze tempel het meest bekend omdat daar de monnik Enkū heeft geleefd die, zo zegt men, tijdens zijn monniksbestaan niet minder dan 120.000 boeddha- en andere beeldjes maakte, soms glad afgewerkt, soms grof met een bijl gehouwen uit een blok hout.



bronnen:
Obaku Zen, Helen J. Baroni, Hawai'i, 2000
Tiphaine Bellambe, Buddhachannel, aug 2015
eigen waarnemingen temidden van boeddhisten die de Reine Land-recitatie hanteren met een Ōbaku- d.w.z. zen-"doel" en dan nadrukkelijk in de Linji-filosofie.







Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme