Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






TÁXILA


Naar de Nalanda-pagina

"Universiteit" te Taxila
(6 maart 2015)

Ook op deze site werd tot recentelijk gesproken in termen van "universiteit" te Taxila, maar er werd ook gerelativeerd door bronnen aan te halen die aangeven dat het "onderwijs" onder een dikke boom plaatsvond.
Met de terechte kritiek op een radio-uitzending van de BBC (http://www.bbc.co.uk/programmes/b0511tm1) in gedachten, een uitzending waarin Jessica Frazier (Docent Religious Studies, Universiteit van Kent), Naomi Appleton (Universiteit van Edinburgh) en Richard Gombrich (Oxford) spraken over het leven van koning/keizer Asoka (of Ashoka, of Ashok) een paar woorden over de "oudste universiteit ter wereld" zoals Taxila vaak genoemd wordt.
Wat de drie sprekers tijdens het BBC-interview over Asoka te berde brachten, daar gaan we het hier niet over hebben.

Te Taxila hadden zich vanaf minstens de 7de-6de eeuw vC tot ca de vijfde eeuw westerse jaartelling deskundigen verzameld die, uitgaand van een brahmaanse of hindu-filosofie en relevante teksten doceerden over een aantal onderwerpen. De criticus van de BBC-uitzending haalde B. Prakash's boek over het onderwerp aan waarin deze het had over onderwijs in "boogschieten, jagen, olifanten-kunde, politieke economie, recht en andere kunsten, menswetenschappen en exacte wetenschappen." Dat lijkt erg impressionant. Maar het is het niet. In de eerste plaats was het onderwijs in de veda een kwestie van "stampen": uit het hoofd leren, om pas daarna onderzoekend te studeren en overwegen, hetgeen heeft uitgemond in een groot aantal shastras, debat-teksten. Verder werden "vakken" waarover in de veda in het voorbijgaan wordt gesproken, althans in de oudste zoals de Rgveda, overal op het continent onderwezen, ook op de binnenplaatsen van de "paleizen", tussen aanhalingstekens, van Boeddha's vader. En ten derde was er in Taxila geen universiteit, althans niet als instituut zoals wij dat kennen met gebouwen en syllabussen. In tegenstelling daartoe zaten die aa-dzjaa-ri-ja (schrijf: acharia, zie onder ashin) — onder wie zich ook gurus bevonden, instructeurs in het levensbeschouwelijke — onder een dikke boom met breed bladerdak, en de leerling die wilde vernemen wat de wijze te verkondigen had diende daarvoor te betalen. Dit laatste halen we bijvoorbeeld uit het verhaal over de student Ànguli-māla ( MN86, PTS: M.ii.97; g als in 'good')
Na verloop van tijd, in ieder geval een behoorlijke tijd na Boeddha's overlijden — zijn zwervende bestaan stond het meetorsen van pen, inkt en papier niet toe — vestigden boeddhistische monniken zich in de periferie van die brahmaanse-hindu onderwijssite te Taxila. We lezen dat studenten, ná hun bestudering van de pré-hindu vedas, de filosofie van Boeddha kregen overgedragen in wat we vandaag een post-doc opleiding zouden noemen, ook onder een dikke boom met een uitgebreid bladerdak.
Dat stelt de term "universiteit" een beetje realistischer voor. Dat later grote boeddhistische tempels te Nalanda, Vikramashila en nog een aantal andere plaatsen wél het onderwijs min of meer gingen systematiseren en dit overdroegen in speciaal daarvoor gebouwde hallen is een kwestie van natuurlijke ontwikkeling.



APP liet op 20 juni 2008 weten dat op een archeologische site nabij Bádalpur, niet ver van de Pakistaanse stad Taxila een "twee voet groot beeld" is opgegraven dat Maitreya, de Komende Boeddha voorstelt.

Het opgegraven beeld wordt voorlopig geschat op de tweede eeuw, de periode waarin Kanishka-I op de troon zat. Het beeldje is gemaakt van zwarte schist.
Op de plaats is een heel aantal voorwerpen naar boven gekomen die zowel toegeschreven worden aan het hinduïsme als aan het boeddhisme. Zo kwam een zeepstenen reliekhouder naar boven, drie molenstenen met daarop een inscriptie in het Kharosti, tien munten, vier ijzeren en twee koperen tempelbellen, vijf chhattras (ceremoniële parasols), enzovoorts.
Het verhaal over de recente opgravingen en eerdere opgravingen in 2004, zie onderstaand, lopen een beetje door elkaar. Men zou ter plaatse moeten gaan uitvinden wat nu een recent gevonden artefact is, of wat in 2004 al aan het licht kwam — onderandere de restanten van een stūpa en die van een klooster.



De foto toont de botrestanten die te Badalpur werden opgedolven.






De Dharma-rajīka stūpa te Taxila
In Taxila, in het Pakistaanse deel van de Punjab heeft een team van de overheids-archeologische dienst een 8-tal vondsten gedaan, meldde de National op 22 november 2004. De artefacten stammen uit de restanten van de Dharma-rádjika (Koning van de Dharma) stoepa en -klooster, gelegen zo'n 3,5 kilometer noordelijk van Taxila-stad.
De vondsten omvatten onderandere beelden van Boeddha "en zijn bodyguard" (waarover hieronder meer), en god Indra, allen behorend tot de eerste eeuw CJ.
Temidden van deze vondsten bevindt zich een beeld dat het "opnieuw verschijnen van Boeddha" voorstelt. Dat wil zeggen dat hier een afbeelding te zien is dat toont hoe Maitreya, de Boeddha van de toekomst, vanuit de hemelse sfeer genaamd Túshita naar de aarde afdaalt. Het beeld zou gemaakt zijn door een monnik die woonde in de Swat-vallei die, al dan niet in zijn gefocuste meditatie naar Túshita op was gestegen en daar Maitreya had gezien.
Het beeld van Indra heeft zowel een vedische als een boeddhistische geschiedenis. Het verhaal over Sakyamuni Boeddha's leven vertelt dat hij tijdens zijn geboorte werd opgevangen door Indra, god over de hemelse sferen en Brahma, god over de aarde. Hier is Indra afgebeeld als een dondergod — een betekenis die overeenkomt met die van Vajra-pāni.
Vajrapāni, die in het artikel Boeddha's bodyguard wordt genoemd, komt onderandere voor als toehoorder van Shakyamuni Boeddha's Eerste Leerrede. Die Eerste Leerrede werd niet alleen aangehoord door mensen, maar ook door niet-menselijke wezens, zegt de legende. Om de Aasoeras, onverbeterlijke, niet-menselijke krijgers, onder deze aanwezigen in toom te houden liet Vajrapāni zich zien in de gedaante van een vervaarlijke Aasoeras, met een donderkeil in de hand. Daar die gebeurtenis van het uitspreken van de Eerste Leerrede zich maar eenmaal voordeed, werd Vajrapāni in het latere Gandhāra-boeddhisme voorgesteld als een dondergod, een die regen, en dus vruchtbaarheid bracht. Daarmee heeft Vajrapāni in het 2e tot 7e-eeuwse Gandhāra-boeddhisme dan een andere functie en plaats dan in het 11e-eeuwse Tibet waar de heren van Litang met wat steviger middelen tot vernuft gebracht moesten worden.

De "Dharma-ràjika stoepa en -klooster werden gebouwd door koning-keizer Ashoka uit de dynastie van de Mauriyas, 3e eeuw CJ" zegt het artikel. Dat betekent dat Ashoka oude beelden uit eerdere tempels en kloosters bijeen heeft gebracht in dit nieuwe bouwwerk. De vraag is dan gerechtvaardigd of we hier te doen hebben met Gandhāra-kunst, danwel met geïmporteerde kunstvoorwerpen van verderop uit India, bv. uit de Ganges-vlakte.
Hoe de artefacten ontdekt werden vertelde archeoloog Tahira Tanweer: "Tijdens het opknappen van een muur in kapel nummer 5 zag een van de teamleden een stukje van een hoek (van een beeld) onder de muur begraven liggen, hetgeen leidde tot het ontdekken van alle acht voorwerpen." Tezijnertijd zullen ze ondergebracht worden in de nieuwe galerij van het archeologisch museum in Taxila.








Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme