Tijdens opgravingen in het Jajpur-district in de Indiase staat Odisha heeft het "Orissa Institute of Maritime and South East Asian Studies (OIMSEAS)" driehonderd-jaar-oude voorwerpen opgegraven die "een paar historische feiten over de Asoka-periode zouden kunnen wijzigen", zegt The Statesman op 26 juni 2006.
De 7de eeuwse pelgrim-monnik
Xuanzang meldde in zijn reisverslag dat het Odra-district tien door koning-keizer Asoka gebouwde
stūpas kende, en dat Boeddha daar gepredikt had. "Dit verhaal zou bevestigd kunnen gaan worden", zegt de OIMSEAS. Eerder hebben historici geweigerd dit verhaal te geloven. Nu hebben we vijf stūpas geanalyseerd, en er nog een drietal gelijkaardige bijgevonden."
Op de top van de Panturi-heuvel zijn de restanten van een "enorme monolitische stūpa" ontdekt.
Er zijn inscripties gevonden waarvan de fotos ter bestudering zijn gezonden naar Dr KV Ramesh, een gepensioneerd epigraaf te Mysore. Hij zou proberen de teksten te ontcijferen. Aldus het verslag van juni 2006.
Het feit dat er ook "een stuk van een stenen drietand" is gevonden, kan er op wijzen dat op enig moment in de geschiedenis de plaats in gebruik is genomen door Vishnu-devoten, hoewel een deel van het Tibetaanse boeddhisme via de indigene
bön-religie ook de drietand afbeeldt. De bön hebben het dan weer uit Indiase bronnen.
Eerder, en elders, werd al gesteld dat tijdens Boeddha's leven geen stoepas te zijner ere werden gebouwd; alleen na zijn overlijden, zo wenste hij, zou er een over zijn stoffelijke resten geplaatst moeten worden. Mochten er in Odisha dus al stoepas zijn, dan zijn het votief-stoepas, en zijn ze, om het zo te zeggen, per definitie post-Boeddha.
In de buurt van het dorp Panaspur in Odisha zijn twee historici uit de buurt gestuit op restanten van gebouwen uit de negende eeuw. Dit werd bekend gemaakt op 22 april 2012.
De restanten zijn gevonden nadat dorpelingen gestuit waren op "een ijsberg" aan voorwerpen, vlak achter een hindu-tempel.
Onder de gevonden voorwerpen bevindt zich een beeld van Boeddha in de aarde-aanrakende houding (
bhumi-spàrsha), en een met de handhouding (
mudra) van het
in beweging zetten van het wiel van de leer). Van het laatste beeld mist het hoofd.
Een andere vondst zou een beeld van
bodhisattva Padmapani zijn.
Men gaat er van uit dat hier een boeddhistische tempel heeft gestaan, op de funderingen waarvan een hindu-tempel is gebouwd, een veelgebruikte methode, niet alleen in India of in de religieuze geschiedenis van India.
De vindplaats en de vondsten zijn overgedragen aan de zorg van regionale en landelijke archeologische diensten.
De negende eeuw in Odisha is die van de
Bhauma-kara-dynastie.
Over die 9e eeuw ging een artikel in The Hans van december 2025.
Sunil Mohan Patnaik presenteerde in een 8 december-uitgave van "The Hans" een redelijk recente vondst van een inscriptie op steen die in een van de schriftsoorten van India ooit werd aangebracht als denkmaal aan Boeddha's wijsheid omtrent
ontstaan en vergaan.
De inscriptie werd aangetroffen in het Jajpur-district van Odisha (Jajpur, niet het Jaipur van elders in het land).
De tekst luidt:
"Ye dharma hetu prabhava hetu ttesham tathagato, Hyavadatteshancha yo nirodha, evamvadi Maha
shramanha."
"Wie evenals de tathāgata de dharma verklaart (in termen van) oorzaak (prabháva) en ophouden (niródha) van leed (hyava - spr.: hjaava) spreekt (vad-) als de Grote (mahā) Shrámana." (in dit geval Boeddha. P.: samana)
Deze korte tekst, geen
dharanī zoals Sunil Mohan Patnaik dat stelt, maar een samenvatting van dit leerstuk, toont naar vorm het Hybride Sanskriet. We vinden vervoegingen/verbuigingen van het Sanskriet "tesam", het "Hyavadatteshancha", het "dharma", en het "shramanhá". De overige woorden komen we (ook) tegen in het Pāli.
Wat wordt verondersteld een 9e-eeuwse inscriptie te zijn is daarmee een levend voorbeeld van het vroege boeddhisme zoals zich dat doorontwikkelde naar een aanvankelijke vorm van het mahāyāna. Die monniken die werden "ontpijd" en weggestuurd tijdens de
derde canon-bevestigende bijeenkomst vonden zich terug in een omgeving die voornamelijk de
vedas volgde, en daarmee dus het klassieke Sanskriet. Mogelijk van huis uit opgeleid in dit klassieke Sanskriet, en daarna in de taal die in het huidige Bihar, in delen van Odisha, en in Bengalen werd gesproken, tenminste door dat deel van de bevolking dat Boeddha's leer aanhing, is er een bewust of onbewust combineren ontstaan van de ene en de andere taal. Dat noemen we vandaag Hybride Sanskriet, en we komen het tegen in mahāyānistische en pré-mahāyānistische canonieke werken die in India werden geschreven.