Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






KŪKAI

Stichter van de Shingon-traditie

Een paar woorden over de dhamma-yatra over het eiland Shikoku




De migratie, Saipan, en Kūkai

april 2018
De Hoki-in in Nara, Japan, een subtempel van de Hase-déra, is de tempel geworden waar de stoffelijke resten van de monnik Toduko (656-735) worden bewaard. Er wordt gezegd dat hij afkomstig was van "het vasteland", en dan moeten we denken aan China. Welke naam hij daar droeg lijkt niet bekend te zijn. Indien hij inderdaad uit China kwam — en hij zou de enige niet zijn geweest — is het meer dan waarschijnlijk dat hij een geestelijk nazaat is geweest van meester Hwei Gwó uit de Sjien Long-tempel in de noordchinese stad Sjie-an (schrijf: Hui-Guo, Qing Long, en Xian). Hui-Guo onderwees tantrische of esoterische dharma-opvattingen zoals die in de wereld werden gebracht door vroege indiase mahāyāna-meesters Amógha-vàdjra en Soebha-kara-simha. In hoeverre Toduko die vroeg-mahāyānistische opvattingen, die tot het uniek-japanse Shingon zouden leiden, over het voetlicht wist te brengen, is onbekend. Het dan maar bouwen van tempels kan een "escape" zijn geweest.

De Daily Yomiuri van 25 juni 2005 meldde dat bewoners van het eiland Saipan op zoek waren naar 79 beelden van de monnik Kūkai, of Kōbō Daichi, Meester in het Uiteenzetten van de Leer, zoals hij posthuum is gaan heten. Eilandbewoners verwachtten op 27 juni het bezoek van het keizerlijk echtpaar, en wilden graag de rij van oorspronkelijk 88 beelden zo compleet mogelijk tonen.


De beelden werden rond 1935 besteld door ca. 130 Japanse emigranten en in dat jaar verscheept naar Saipan, dat, samen met de marinebasis Guam, deel uitmaakt van de Noordelijke Marianen-groep, nu territorium behorend bij de USA. Toen in juni 1944 ook op Saipan de hel lostbarstte waren de 88 beelden van Kūkai, die op de treden stonden van de trap die naar een bergtop leidt, verdwenen. Nu zijn er 9 teruggevonden bij particulieren en in musea.

Kūkai, zie voor een deel van zijn biografie ook de woorden over de Yasukuni-schrijn werd in 744 WJ geboren op het eiland Shikoku in Zuid-Japan. Nu is het eiland bereikbaar door een aantal bruggen.

Voordat hij op eenendertig-jarige leeftijd intrad leefde hij een aantal jaren als rondtrekkend asceet, en op 88 van de plaatsen waar deze telg uit een adellijk geslacht verbleven had werden later gedenkstenen opgericht.
Het was op aandringen van keizer Kammu dat Kūkai intrad en als 'iemand met status en titel' mee kon reizen naar China. Daar, in China, kregen Kūkai en Saichō, Kūkai's broeder in de Leer een jaar onderricht van meester Huikuo die in 805WJ overleed. Meester Huikuo vertegenwoordigde wat we nu noemen het vajra-yāna. Het was Huikuo die Kūkai voorzag van de eerste "gepaarde mándala", twee mándalas die respectievelijk bovenredelijk weten en rede als onderwerp hebben. Ze worden respectievelijk de garbha-dhātu en de vajra-dhātu genoemd en zijn in zowel de Tendai als het Shingon de twee vleugels waarop de vogel vliegt. Huikuo liet op die gepaarde mándala (twin-mándala, officieel Maha-vairocana Tantra) door de schilder Li-chen en zijn staf de wereld van de Tattva sam-graha verbeelden, een 8ste eeuws tantrisch werk dat niet eens zo lang daarvoor geschreven was door de monnik Santaràkshita. Met die mándala werd Kūkai naar huis gestuurd.

Saichō ging terug en werd uiteindelijk de founding father van de Tendai-stroming, en Kūkai kwam aan het hoofd te staan van wat we nu Shingon zijn gaan noemen. Kūkai, zeggen zijn devoten, stierf als een Volkomen Verlichtte. Hij was een boeddha geworden, een van de ontelbare. Daarom, zo impliceert de met name in Japan vereerde Lotus Soetra die de eeuwigheid van boeddha(schap) verkondigt, is Kūkai ook de wereld niet uit. En daarom maken mensen nog graag een pelgrimstocht langs de 88 stenen die ieder voor zich een aanduiding zijn voor een episode uit zijn leven, voordat hij monnik werd.

Die pelgrimstocht bedraagt duizend mijl en voert de wandelaar kloksgewijs om het eiland.
Toen dan ook Japanners naar Saipan emigreerden hebben ze 88 beelden van Kūkai laten maken, en deze op strategische plaatsen opgesteld, en hebben ze met eerbied gedacht aan de Boeddha Kōbō Da-ichi, d.w.z aan Kūkai.

Het maakte Kôbô Da-ichi niet uit tot welke boeddhistische stroming iemand behoorde, en zijn vertrouwdheid en verwantschap met het inheemse shinto (zie boven) is welbekend. Onder degenen die een bezoek brachten aan de Zentsu-dji tempel in Kōbō Daichi's geboorteplaats - toen die tempel nog niet was verhuisd naar een plek langs de kust, gemakkelijker te bereiken voor pelgrims - bevonden zich de Reine Land Meester Hōnen (1133-1212) en keizer Go-Uda.
Zentsu-dji is een tempel opgedragen aan de Helende Boeddha, Yakushi Nyorai in 't Japans, hetgeen ons dan weer brengt bij de 'uitvinder' van Reiki, Usui (spreek: jakoesji njoraj).
De terreinen van de Shingon-tempels waren eind 20ste eeuw niet toegankelijk voor vrouwen. Nu zijn vele dat wel; de priesteropleiding is echter nog steeds een mannenzaak.

(Bij de University of Hawaii Press verscheen eind oktober 2005 het boek "Making Pilgrimages: Meaning and Practice in Shikoku" van de hand van Ian Reader, professor in religious studies aan de Universiteit van Lancaster in de UK.)



Op 9 december 2005 maakte het blad Orientalia het verschijnen bekend van Kūkai's Sokushin-Jobutsu-gi, de "Principes tot het bereiken van Boeddhaschap met dit eigenste lichaam".
Deze tekst van de stichter van de Japanse Shingon-stroming werd vertaald door Hisao Inagaki. De introductie tot het zojuist uitgegeven werk zegt:
"Het Chinese esoterische Boeddhisme ging in de achtste eeuw een nieuw tijdperk binnen toen Subha-kara-simha (linkerkolom, noot 3), in het japans Zenmu-i (637-735) en Vajra-bodhi, in het japans Kongo-chi (671-741) een Chinese vertaling produceerden van de Mahā-vairocana Soetra en de Soetra op de Diamanten Piek. Door dit te doen verspreidden ze wat [in Japan] de "oorspronkelijke esoterie" (Jap.: jun-mitsu) heet, dit in tegenstelling tot de "gemengde esoterie" (Jap.: zo-mitsu).
En dan was er ook nog Amogha-vajra (Jap.: Fukukongo, 705-774), een discipel van Vajra-bodhi, zich actief inzette voor het verspreiden van deze leer door het vertalen van een groot aantal esoterische teksten die hij [naar China] uit India had meegebracht.
Het was zijn discipel Hui-kuo (Jap.: Keika, 746-805) die deze leer aan [de Japanner] Kūkai overdroeg tijdens diens bezoek aan China."

In 1641 besloten de shingon-tempels op de berg Haguro dat ze voortaan tot het tendai zouden gaan behoren, dit omdat het tendai op dat moment in de lift zat en de belangstelling voor het shingon taande. Tendai claimde vervolgens ook de vestigingen op de berg Gassan.

Een amerikaanse shingon-divisie heeft hun hele recitatie-dienst online gezet, als een selectie uit een grotere collectie teksten.







Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme