Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






Vervolg van voetnoot4 bij de
Pabbaja soetta

Uit de Soetta Nipata









Prof. R. Choudhary in zijn "The History of Bihar" (1958, p.15) merkt op dat de staat waarin Boeddha geboren werd, en het volk dat vervolgens die naam kreeg, of omgekeerd, niet van "Aryan origine" was, dat noch de "Hindu Vedas, noch Manu (de Manu smrti) gewag maken van Màgadha (het huidige Bihar) als een natie of een volk". Hij zegt: "Màgadha belonged to the Munda, (a) non-Aryan group." (Màgadha behoorde tot de Munda, een niet-arische bevolkingsgroep.)
Voor Boeddha was, in zijn dagen, een nieuwe tijd ingegaan. Het volk hoefde geen eerbiedige vrees meer te beleven jegens gepersonificeerde elementen als water en vuur. De overstromingen en mega-bosbranden waren achter de rug. Ze bevonden zich ook niet meer temidden van een volk op de vlucht voor water en vuur, een volk dat fysieke en metale zekerheid probeerde te vinden of te houden met behulp van vedische voorschriften zoals het niet samen eten met andere bevolkingsgroepen, en het niet "buiten je stand" huwen.


De overstromingen
De Clan van de Zon wordt binnen de hinduïstische traditie geassocieerd met de clan genaamd de Ikshváku. Prof.R.Choudhary(1) stelt dat de Ishvaku (Ikshvaku) niet genoemd worden in de veda. Wel komt de naam voor in een ander hindu-werk, een purana, en wel in de Vishnu purana. Zijn stelling is dat de clan van de Ikshváku niet brahmaans waren, althans niet in eerste instantie. Hij wijst naar historisch onderzoek van anderen die in de vroeg-hinduïstische werken een passage hebben gevonden waarin bijvoorbeeld iemand "brahmanenschap (Brahmanhood) wint/bereikt aan (de oever van) de Kausiki".

Er is een heilige, een rsi, geweest die Rāma Aiksvāku heette. In de geschiedschrijving (vamsāvalī) van de Sūryavamsa, de Zonneclan uit het noordwesten van het huidige India, wordt Ikshváku vermeld als een Radjz-poet (schrijf: Rajput).(2) Rajput staat voor die personen uit de ksátriya-bevolkingsgroep, die, lang geleden, van de krijgers die van koninklijke origine zijn.
Daarentegen wijst M.L.Bhárgava in zijn werk over de tijd van de grote overstrominen(3) op een aantal plaatsen in de vroege hindu-geschriften naar de Ikshváku. Het werk gaat in grote lijnen over de "zeeën" (samúdra) die in de verre oudheid, nog voor de veda geschreven waren, grote delen van India bedekten. Wanneer alle puzzelstukjes bij elkaar gelegd worden, ook die in de hindu-epen de Mahābhārata en de Rāmāyana, dan komt daaruit naar voren dat de Ikshváku oorspronkelijk leefden in een gebied in de buurt van het huidige Delhi, een gebied dat nog steeds Kuru-ksetra, Kuruland, wordt genoemd (spreek: koeroe-kseetra). Er is dan sprake van een rivier met de naam Iksumatī die de "ancestrale rivier" van de Ikshváku wordt genoemd. Verder, zegt Mánohar Lal Bhàrgava (p.97) leefden Ikshváku langs een drietal andere door zeilschepen bevaarbare zijrivieren van de Sarasvatī, namelijk de Añjasī, de Kulisī en de Vira-patnī — de uitgangs-ī is grammaticaal de vrouwelijke uitgangsvorm; water, en rivieren worden in grote delen van de wereld vrouwelijke kenmerken toegedicht.

Er is echter ook historisch bewijs voor het bestaan van een volk dat de Ikshváku heette die het centrale deel van India bewoonden en "Kshátrapas" worden genoemd, onderkoningen van een mahāraja volgens de een, beschermer van een koninkrijk volgens de ander die deze benaming herleidt naar het oud-perzische Kshatra-pavan (Sailèndra Nath Sen, "Ancient Indian History and Civilization", p. 187). Gezien hetgeen bekend is over de stammen van Boeddha's ouders moeten we de vestiging van Boeddha's voorouders in Centraal-India, en de lijn naar Perzische overheersing, respectievelijk de Sákyas als onderkoning van een perzisch heerser over centraal-India toch maar doorstrepen. Too far fetched. Zie pagina 3 voor meer details.

Hoe dan ook, in de Mahābhārata is sprake van een grote overstroming die de aanleiding is geweest tot een legende die bekend staat als het "Stroomafwaarts gaan over de Ganges" van de stam de Ikshváku. Beide rivieren, de Sarasvatī en de Ganges (Gangā) ontstonden in ongeveer hetzelfde gebied (de Sarasvatī staat nu grotendeels droog en niet weinigen willen niet geloven dat dit werkelijk een grote rivier is geweest); de eerste liep zuid-west, de ander loopt zuid-oost. De Sarasvatī was op z'n breedst 7 km, een echte samúdra, dus. Het gebied van de Ikshváku moet ongeveer tussen deze twee rivieren hebben gelegen, een gebied dat doorsneden was met een viertal zijrivieren van de Sarasvatī, waaronder de drie bovengenoemde.

Verder met het "Stroomafwaarts gaan over de Ganges". Uiteindelijk, nog voordat de zee of oceaan bereikt werd, viel de Ganges in een enorm meer dat grofweg de regio rond de stad Sravastī beslaat. Dan, zo zegt het verhaal, "bereikte de Gangā de uitgehouwen grotten nabij de zee of oceaan (samúdra) en overstroomde die grotten." Aangenomen wordt, (p.139) dat hier niet sprake is van de Ganges-delta in Bengalen, maar van de drooggevallen bedding van de Arvāvat-zee in de buurt van Varanasi (voorheen Benares), resp. het zuiden van de huidige deelstaat Bihar. "In die tijd vonden 60.000 Ikshváku verlossing; hun as ligt daar". Niet alleen werden de uitgehouwen grotten overstroomd, maar ondertussen waren ook de 60.000 van de daar levende onderdanen van Ságara Aiksvāku op vergeldingstocht gegaan nadat hun paardenoffer (het vrij laten van een paard) was verstoord.(4) Er staat in de Rāmayāna dat Indra het offerpaard gestolen had, en dat 's konings mannen er naar op zoek gingen.


(Op de ene plaats in de antieke literatuur moet Indra verstaan worden als een godheid, maar er zijn ook plaatsen waar gesproken wordt over een volk dat de Indra heette, en dan moeten we denken aan een stam of stammen die Indra als huisgod eerden.
Bhàrgava (p.120) beschrijft Indra als een godheid van rond de Indus, dus westelijker dan het stamland van de Ikshváku, en verder suggereert hij (p.125) dat het met name de bewoners van de zijrivier van de Indus, de rivier de Kusavā of Kūnar waren — nu een aftakking van de Kaboel-rivier die, na het idee aanvankelijk verworpen te hebben, Indra vereerden. Daarbij werd in een moeite door het matriarchaat vervangen door een patriarchaat. Indra wordt dan beschreven als een godheid aan wie de uitgeperste soma wordt geofferd, hier en daar beschreven als het sap van een witte bloem die in de moerassen groeit.)

Ságara Aiksvāku's mannen stuitten op Vāsudeva, een andere naam voor de god Agni die het paard weer op hun weg had gebracht. Agni deed zich voor in de gedaante van de rsi Kápila. Denkend dat Kápila met hun voeten speelde vielen de manschappen hem aan, maar werden ter plekke tot as gereduceerd — want Kápila was in werkelijkheid Agni, de god van het vuur. Op dat punt in de geschiedenis hadden de verering van het vuur en het vuurritueel dus nog de overhand. Er voltrok zich hier een ramp: hoewel de meerderheid of een deel van het volk niet verzwolgen werd door de tweede vloedgolf, werden de 60.000 op hun tocht over onbekend terrein wel verteerd door het vuur. Bhàrgava en anderen veronderstellen dat hier wordt verwezen naar vulkanische activiteit. We spreken dan over minstens 500 voor Boeddha, en Boeddha leefde meer dan 500 vC.
Een andere versie wordt aangedragen door R. Choudhary (p.3) die citeert uit de (eveneens hinduïstische) Satpatha Brahmana waarin een enorme bosbrand Agni Vaiswánara wordt genoemd, de god van het vuur. Agni Vaiswánara brandde "de hele wereld" in oostelijke richting af tot hij bij de rivier de Sadarni (Gandak) kwam. Daar raakte hij niet overheen, en aan die gespaarde kant van de rivier zouden de Videhans zich dan gevestigd hebben.

Van het bovengenoemde grote meer (samúdra) te Srávasti en oostelijker wordt, als van andere meren, gezegd dat het moerassig was. We vinden in de Pāli-canon van het zuidelijke boeddhisme referenties naar bijvoorbeeld de MN 73: Vriend Gótama, het is als de Ganges die naar de zee afbuigt, recht in de zee uitmondt, ....

(Seyyathāpi bho gotama gaņgānadī samuddaninnā (snelt er naar toe) samuddapoņā (wendt zich in die richting) samuddapabhārā (streeft er naar) samuddam āhacca tiṭṭhati.)

De Pāli-geleerden houden alle mogelijkheden open: een samúdda kan een brede rivier zijn, een meer, en de oceaan.
Maar we moeten toch onthouden dat, zoals boven gemeld, niet alle Ikshváku voorbij de stad Srávasti naar het zuiden, naar de buurt van het huidige Varanási reisden, maar dat een aantal clans resp. families rond Srávasti bleven hangen en zich zelfs deels in nog noordelijker streken vestigden, in de zuidelijke Terai van het huidige Nepal.
Samúdda als meer is hier een gerechtvaardigde aanname. Wanneer Boeddha meer dan eens uitkijkt over het breedste deel van de Ganges tijdens de moesson, of zich de verhalen herinnert over de 7 km brede Sarasvatī, dan is het heel wel mogelijk dat hij met samúdda rivier bedoelt.

De woorden in de Pāli-canon herinneren aan de vedische canon, met name de Rgveda waar woorden als "stromen (rīdh..) naar", en "verlangen (kagksin) naar de zee (samúdra)" voorkomen. In het geval van de boeddhistische canon wordt met "stromen naar" ... etc wel gewoon stromend water bedoeld. Ze zijn geen metafoor voor de wens verenigd te mogen worden met Het Ene zoals het in de vedische literatuur staat. Maar stromen doet het.

De zee (het meer), dus de samúdra, wordt op een aantal plaatsen in verband gebracht met het woord pūrva (Skr.) of puvva (Pāli) dat verwijst naar de geur van rottende planten, een moerasgeur dus. In de stad Srávasti was in de voor-boeddhistische tijd een Pūrv-ārama, dus een (pre-boeddhistische) religieuze gemeenschap aan het moeras. Er is in de boeddhistische canon sprake van de Pūrva-vidéha-koningin(5) die geleefd moet hebben in Pūrva-Vidéha, de regio waar graan verbouwd wordt. En we mogen veronderstellen dat dit land gelegen was aan de boorden van de samúdra rond en ten zuid-oosten van de stad Srávasti. Ook in de theravāda-boeddhistische abhidhamma-literatuur (de schematisering en systematisering van het mentale en het fysieke) wordt Pūrva-videha de oostelijke regio genoemd, oostelijk van Kuru-ksetra, zo moet het binnen het kader van de Iksumatī als "ancestrale rivier" in Kuruksetra verstaan worden.




(1) "History of Bihar", 1958, pp.2-3

(2) H. Goetz, The early wooden temples of Chamba, p. 19, Leiden 1955. Khem Báhadur Bista "Le Culte du Kuldeva au Nepal", Paris 1972, p.12, spreekt uitdrukkelijk over de Sūrya-vamsa en de Candra-vamsa (Maanclan) uit Chittor (of Chitor) in het huidige Rajasthan.

(3) M.L.Bhàrgava, The Geography of Rgvedic India, Lucknow 1964. Er wordt flink getwist over de juiste vertaling van woorden als samudra (samoedra) en ságara (saaagara). Manohar Lal Bhàrgava's opvatting is er slechts een in een serie.

Mei 2012:
Er is een pagina die werd ge-upload door Nature.com waarin een poging wordt gedaan de loop van de verdwenen Sarasvatī rivier te volgen. Sindsdien zijn indiase academische met andere of meer preciese aanwijzingen gekomen over de loop van de rivier.

(4) In de brahmaanse of hinduliteratuur is er sprake van een "ashva-medha yajna" (of ashwamedha yagna - Skr. ashva, P. assa = paard). In die ritus is sprake van een machtige koning die op zijn (witte) paard alle tegenstanders verslaat en vervolgens zijn paard ritueel laat doden (want dat zou het paard dan bevrijden uit de kringloop van wedergeboorte/reïncarnatie, en dan hoefde het niet meer mee te doen aan deze of gene strijd, dus da's meegenomen). Dr. R. Choudhary (dzjow dri - History of Bihar, 1958, pp. 60, 78) verwijst er een paar keer naar, een keer naar de Gupta-koning Samudra-gupta die regeerde tussen ca 350 en 375 nC, en een keer naar een zekere Aditya-sena (aa dit ja seena), die regeerde tussen ca 655 en 680 nC, de opvolger van Mádhava-gupta. Adityasena haalde deze streek drie keer uit.
Dat maakt dat we de Brhad Aranyaka upanishad — waarin het paardenoffer wordt voorgesteld als een ceremoniële daad, mogelijk als een poging om het oude paardenoffer-ritueel van zijn gruwelijkheid te ontdoen — tot een van de jongere hindugeschriften mogen rekenen, dus uit of na de zevende eeuw.

(5) Wat we hier tegenkomen als "vidéha", vinden we in het hindu-epos de Ramayana - de Ayodhya-khanda (ajoodja) - terug als "vaidehī". Daar is het een andere naam voor Sīta, de vrouw van de hoofdpersoon Rama. Met andere woorden, namen als "vidéha", resp "vaidehī" zongen rond, zoals het heet. Zie voor Ayodhya ook de Sakéta soetta.
Prof. R.Choudhary (History of Bihar, 1958, p.3) meent dat "de oorsprong van Videha en (zijn hoofdstad) Mithila zuiver mythen zijn." Hij wijst niettemin naar "boek 1 van de Sátpatha Bráhmana" waarin een legende voorkomt volgens welke de aryans in drie stadia oostwaarts zijn getrokken, en dat hun huispriester (purohita) de naam droeg van Gáutama Ráhugana. Latere historische werken, onderandere van Bhàrgava, zullen van de mythe, althans van die trek oostwaarts, een zekerheid maken.





Terug naar de Pabbaja soetta

Naar de archiefpagina | Naar de Soetraspagina

Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme