Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






Vervolg van voetnoot4 bij de
Pabbaja soetta

Uit de Soetta Nipata










De overstromingen
De Clan van de Zon wordt binnen de vedisch-hinduďstische traditie geassocieerd met de clan genaamd de Ikshvaku. Er is een heilige, een rsi, geweest die Rāma Aiksvāku heette. In de geschiedschrijving (vamsāvalī) van de Sūryavamsa, de Zonneclan uit het noordwesten van het huidige India, wordt Ikshvaku vermeld als een Rajput.(1) Rajput staat voor die personen uit de ksatriya-kaste, de krijgerkaste, die van koninklijke origine zijn.
M.L.Bhargava wijst in zijn werk over de Rgvedische tijd(2) op een aantal plaatsen naar de Ikshvaku. Het werk gaat in grote lijnen over de "zeeën" (samudra) die in de verre oudheid, nog voor de veda geschreven waren, grote delen van India bedekten. Wanneer alle puzzelstukjes bij elkaar gelegd worden, en niet alleen de bronnen in de Rgveda, maar ook die in de Mahābhārata en de Rāmāyana, eveneens behorend tot de hindu-canon, dan komt daaruit naar voren dat de Ikshvaku oorspronkelijk leefden in een gebied in de buurt van het huidige Delhi, een gebied dat nog stees Kuruksetra, Kuruland wordt genoemd. Er is dan sprake van een rivier met de naam Iksumatī die de "ancestrale rivier" van de Ikshvaku wordt genoemd. Verder, zegt Manohar Lal Bhargava (p.97) leefden Ikshvaku langs een drietal andere door zeilschepen bevaarbare zijrivieren van de Sarasvatī, namelijk de Ańjasī, de Kulisī en de Virapatnī.

Er is echter ook historisch bewijs voor het bestaan van een volk dat de Ikshvaku heette die het centrale deel van India bewoonden en "Kshátrapas" worden genoemd, onderkoningen van een mahāraja volgens de een, beschermer van een koninkrijk volgens de ander die deze benaming herleidt naar het oud-perzische Kshatra-pavan (Sailendra Nath Sen, "Ancient Indian History and Civilization", p. 187). Gezien hetgeen bekend is over de stammen van Boeddha's ouders moeten we de vestiging van Boeddha's voorouders in Centraal-India, en de lijn naar Perzische overheersing, respectievelijk de Sakyas als onderkoning van een perzisch heerser over centraal-India toch maar doorstrepen. Too far fetched. Zie pagina 3 voor meer details.

Hoe dan ook, in de Mahābhārata is sprake van een grote overstroming die de aanleiding is geweest tot een legende die bekend staat als het "Stroomafwaarts gaan over de Ganges" van de stam de Ikshvaku. Beide rivieren, de Sarasvatī en de Ganges (Gangā) ontstonden in ongeveer hetzelfde gebied (de Sarasvatī staat nu grotendeels droog en niet weinigen willen niet geloven dat dit werkelijk een grote rivier is geweest); de eerste liep zuid-west, de ander loopt zuid-oost. De Sarasvatī was op z'n breedst 7 km, een echte samudra, dus. Het gebied van de Ikshvaku moet ongeveer tussen deze twee rivieren hebben gelegen, een gebied dat doorsneden was met een viertal zijrivieren van de Sarasvatī, waaronder de drie bovengenoemde.

Verder met het "Stroomafwaarts gaan over de Ganges". Uiteindelijk, nog voordat de zee of oceaan bereikt werd, viel de Ganges in een enorm meer dat grofweg de regio rond de stad Sravasti beslaat. Dan, zo zegt het verhaal, "bereikte de Gangā de uitgehouwen grotten nabij de zee of oceaan (samudra) en overstroomde die grotten." Aangenomen wordt, (p.139) dat hier niet sprake is van de Ganges-delta in Bengalen, maar van de drooggevallen bedding van de Arvāvat-zee in de buurt van Varanasi (Benares), resp. het zuiden van de huidige deelstaat Bihar. "In die tijd vonden 60.000 Ikshvaku verlossing; hun as ligt daar". Niet alleen werden de uitgehouwen grotten overstroomd, maar ondertussen waren ook de 60.000 van de daar levende onderdanen van Ságara Aiksvāku op vergeldingstocht gegaan nadat hun paardenoffer (het vrij laten van een paard) was verstoord. Er staat in de Rāmayāna dat Indra het offerpaard gestolen had, en dat 's konings mannen er naar op zoek gingen.
(Op de ene plaats in de vedische literatuur moet Indra verstaan worden als een godheid, maar er zijn ook plaatsen waar gesproken wordt over een volk dat de Indra heette, en dan moeten we denken aan een stam of stammen die Indra als huisgod eerden.
Bhargava (p.120) beschrijft Indra als een godheid van rond de Indus, dus westelijker dan het stamland van de Ikshvaku, en verder suggereert hij (p.125) dat het met name de bewoners van de zijrivier van de Indus, de rivier de Kusavā of Kūnar waren — nu een aftakking van de Kaboel-rivier die, na het idee aanvankelijk verworpen te hebben, Indra vereerden. Daarbij werd in een moeite door het matriarchaat vervangen door een patriarchaat. Indra wordt dan beschreven als een godheid aan wie de uitgeperste soma wordt geofferd, hier en daar beschreven als het sap van een witte bloem die in de moerassen groeit.)

Ságara Aiksvāku's mannen stuitten op Vāsudeva, een andere naam voor de god Agni die het paard weer op hun weg had gebracht. Agni deed zich voor in de gedaante van de rsi Kápila. Denkend dat Kápila met hun voeten speelde vielen de manschappen hem aan, maar werden ter plekke tot as gereduceerd — want Kápila was in werkelijkheid Agni, de god van het vuur. Op dat punt in de geschiedenis hadden de verering van het vuur en het vuurritueel dus nog de overhand. Er voltrok zich hier een ramp: hoewel de meerderheid of een deel van het volk niet verzwolgen werd door de tweede vloedgolf, werden de 60.000 op hun tocht over onbekend terrein wel verteerd door het vuur. Bhargava en anderen veronderstellen dat hier wordt verwezen naar vulkanische activiteit. We spreken dan over minstens 500 voor Boeddha, en Boeddha leefde meer dan 500 vC.

Van het genoemde grote meer (samudra) te Srávasti en oostelijker wordt, als van andere meren, gezegd dat het moerassig was. We vinden in de Pali-canon van het zuidelijke boeddhisme referenties naar bijvoorbeeld de MN 73: Vriend Gótama, het is als de Ganges die naar de zee afbuigt, recht in de zee uitmondt, ....

(Seyyathāpi bho gotama gaņgānadī samuddaninnā (snelt er naar toe) samuddapoņā (wendt zich in die richting) samuddapabhārā (streeft er naar) samuddam āhacca tiṭṭhati.)

De Pali-geleerden houden alle mogelijkheden open: een samudda kan een brede rivier zijn, een meer, en de oceaan.
Maar we moeten toch onthouden dat, zoals boven gemeld, niet alle Ikshvaku voorbij Sravasti naar het zuiden, naar de buurt van het huidige Varanasi reisden, maar dat een aantal clans resp. families rond Sravasti bleven hangen en zich zelfs deels in nog noordelijker streken vestigden, in de zuidelijke Terai van het huidige Nepal.
Samudda als meer is hier een gerechtvaardigde aanname. Wanneer Boeddha meer dan eens uitkijkt over het breedste deel van de Ganges tijdens de moesson, of zich de verhalen herinnert over de 7 km brede Sarasvatī, dan is het heel wel mogelijk dat hij met samudda rivier bedoelt.

De woorden in de Pali-canon herinneren aan de vedische canon, met name de Rgveda waar woorden als "stromen (rīdh..) naar", en "verlangen (kagksin) naar de zee (samudra)" voorkomen. In het geval van de boeddhistische canon wordt met "stromen naar" ... etc wel gewoon stromend water bedoeld. Ze zijn geen metafoor voor de wens verenigd te mogen worden met Het Ene zoals het in de vedische literatuur staat. Maar stromen doet het.

De zee (het meer), dus de samudra, wordt op een aantal plaatsen in verband gebracht met het woord pūrva (Skr.) of puvva (Pali) dat verwijst naar de geur van rottende planten, een moerasgeur dus. In de stad Srávasti was in de voor-boeddhistische tijd een Pūrvārama (Pūrva-ashram), dus een (pre-boeddhistische) religieuze gemeenschap aan het moeras. Er is in de boeddhistische canon sprake van de Pūrva-vidéha-koningin die geleefd moet hebben in Pūrva-Videha, de regio waar graan verbouwd wordt. En we mogen veronderstellen dat dit land gelegen was aan de boorden van de samudra rond en ten zuid-oosten van de stad Sravasti. Ook in de boeddhistische abhidharma-literatuur (de schematisering en systematisering van het mentale en het fysieke) wordt Pūrva-videha de oostelijke regio genoemd, oostelijk van Kuruksetra, zo moet het binnen het kader van de Iksumatī als "ancestrale rivier" in Kuruksetra verstaan worden.




(1) H. Goetz, The early wooden temples of Chamba, p. 19, Leiden 1955.
(2) M.L.Bhargava, The Geography of Rgvedic India, Lucknow 1964. Er wordt flink getwist over de juiste vertaling van woorden als samudra en ságara. Manohar Lal Bhárgava's opvatting is er slechts een in een serie.

Mei 2012:
Er is een blog: Mystery of Sarasvatī River dat nuttige informatie geeft. Hoe lang het online zal blijven valt niet te voorspellen.





Terug naar de Pabbaja soetta


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme