Uit het archief van www.buddha-dharma.nl






BOEKDRUKKUNST EN SCHRIFTSOORTEN

De handschriften van China



Klik naar de volgende bijdragen:






Een vorm van blokdrukken is gevonden in het Griekenland van rond het jaar 650 waar men met behulp van kleine malletjes de teksten op munten en zegels drukte. Iets dergelijks deed men in Egypte.

De eerste voorbeelden van houtblok-drukken zijn gevonden in China. In de vijfde eeuw werd moerbei-papier uitgevonden, en de eerste teksten die daar op werden gedrukt waren de boeddhistische soetras. Tegen de tiende eeuw was de hele collectie aan soetras, 130.000 paginas, met behulp van blokdrukken overgebracht op papier.

Rond het jaar 1040 vond Bi Sheng uit China uit dat je ook losse letters van gebakken klei kunt gebruiken. De geleerde Shen Kuo (1031-1095) berichtte er over in een van de papieren die hij zelf op deze manier drukte.

Informatie over een in de stad Kaesong, nu Noord-Korea, gevonden zetstuk staat op de pagina over de boekdrukkunst in Korea. Het dateert van na 909, maar de exacte datum van vervaardiging is onbekend.
In ca 1450 introduceerde Johannes Gütenberg uit Duitsland het drukken met losse letters.





Schriftsoorten en boeddhisme

Wild gras

Op 26 juni 2007 gingen een aantal Aziatische kunstvoorwerpen in Hong Kong onder de hamer.
Een van de stukken was een schilderij van Li Keran, gemaakt in 1985, voorstellende de monnik Huáisǔ (hwaj-soe - heb niet de hoop dat u het correct uitspreekt) uit de Tang-dynastie. De voorstelling van Huáisǔ bezig met op bananenblad een calligrafie neer te zetten ging voor 2,2 miljoen chinees naar een nieuwe eigenaar.

Huáisǔ leefde van 726 tot 785; zijn actieve jaren vielen tussen 714 en 742. Het was Huáisǔ die het schrift gestalte heeft gegeven dat kuáncǎo heet, "wild gras", of ook wel "cursief schrift". De japanse dichter Bashō gebruikte dit schrift voor zijn haiku. Huáisǔ schreef een verhandeling over "wild gras", het "Essay over duizend karakters". Dat "wild gras" niet geschikt was voor lange teksten wordt bewezen door Huáisǔ's autobiografie die in het klassieke schrift is neergepenseeld.
De fransman Ricardo Joppert is aan de Sorbonne afgestudeerd op dit schrift van Huáisǔ, dat van lieverlee speciaal werd aangewend voor het graveren op lakzegels, wat overigens ook gezegd kan worden van het hieronder vermelde Phagspa-schrift.





Onderzoek naar Pattra-bladen in China

Op 15 juni 2012 werd aan het "Institute of Tibetan Religious Studies", verbonden aan het "China Tibetology Research Center" (CTRC) een forum georganiseerd over Sanskriet-manuscripten die op "pattra-bladen" zijn opgetekend.
Pattra, in de strikte betekenis van het woord, zijn repen berkenbast die als tekstdrager dienst doen. In India/Bengalen spreekt men van patra (met maar 1 t), respectievelijk van bhurja patra.
Aan de conferentie in Beijing namen deskundigen uit Hong Kong, Taiwan en Duitsland deel.

Op 28 september 2012 werd bekendgemaakt dat wat er aan pattra/berkenbast manuscripten in het CTRC aanwezig was in een catalogus is vastgelegd. De krant die het nieuws bracht sprak over boeddhistische teksten, maar we mogen aannemen dat er ook hindu-teksten tussen zullen zitten, en mogelijkerwijs ook teksten over (kruiden-)geneeskunde.
Dat het corpus aan boeddhistische teksten belangwekkend is werd bevestigd door Lhapa Phuntsok, algemeen directeur van het Chinese Onderzoekscentrum naar Tibet, maar wat de inhoud of titel(s) van de manuscripten is, werd er niet bijvermeld.

Niet met name genoemde Griekse historici, zegt informatie vanuit Bangladesh, meldden dat bhurja patra, berkenbast, in India geliefd was als tekstdrager, en dat het oudst bekende manuscript, een fragment uit de Dhamma-pāda dateert uit de 2de of 3de eeuw. Het werd opgetekend in het kharosti.

Het is Al-Biruni geweest (lees desnoods de korte versie op http://nl.wikipedia.org/wiki/Al-Biruni) die in zijn "Tarikh Al-Hind" (History of India) schreef dat men in India de bast van de "tuz" gebruikte die ook gebruikt werd om bogen mee te maken. Het wordt bhurja (spreek ongev.: bhoerdja) genoemd, schrijft hij. Ze nemen, zo gaat hij verder, een reep van een "yard" (ca 91 cm) lang, zo breed als de uitgespreide vingers van een hand, en behandelen het dan op een heel aantal manieren door het te olieën en op te wrijven totdat het hard en glad is.

Er zijn een paar online-bronnen die afbeeldingen tonen van pattra. Dat zijn bijvoorbeeld teksten die naar de VS zijn meegenomen door emigrerende Yao. In een Chinese bibliotheek bevinden zich voorbeelden van pattra-manuscripten die worden gemaakt door de Dai of Tai-Lue.





Het Tochaars

Er is in het nederlands een goede informatieve pagina over de taal die het Tochaars heet (nl.wikipedia.org/wiki/Tochaars).
De voorlaatste dag van januari 2008 liet de "Salon Daily" weten dat een Chinese specialist in deze taal door de indiase overheid gelauwerd was geworden en van dan af drager werd van de "Padma Bushan award". De op dat moment 97-jarige Ji Xianlin studeerde ooit in Göttingen af onder een van de andere Tochaar-specialisten Siel, maar was voordien al bezig geweest met het naar het Chinees vertalen van Tochaarse documenten die door archeologen waren verzameld. Dat leverde hem in 2006 een onderscheiding door de Chinese overheid op.
Een van de door Ji (djie) naar het Chinees vertaalde manuscripten is de Maitreya-sāmiti-Nātaka, een mahāy&$257;na-vertelling over geboorte en leven van de komende Boeddha Maitreya. Ji Xianlin overleed in 2009.





Het Tai-Lue (Dai)

Chinaview toonde op 16 april 2009 een foto van in China vervaardigde palmbladgeschriften.

In de Zuidwestelijke Yünnan-provincie leven de Dai (of Tai Lue - spreek ongev. tai lwee) naar de Kleine Voertuig of zuidelijke boeddhistische traditie. Deze Dai hebben tijdens de Tang-dynastie (618-907) de van oorsprong indiase manier van soetras op repen palmblad schrijven overgenomen. Veel later, in de 13de eeuw, werd vanuit Thailand (Siam) het boeddhisme, of de boeddhistische Lanna-cultuur geïntroduceerd.
De door China View getoonde bundel palmbladen toont een schriftsoort dat in ieder geval niet het Chinese is, en waarschijnlijk ook niet het Pāli. De Dai hebben hun eigen alfabet dat volgens kenners veel lijkt op het oude Lanna-alfabet, en het Lanna-alfabet heeft dan weer een paar kenmerken die terugverwijzen naar het Devanágari waarin het Hindi en het Sanskriet geschreven worden.

Bronnen zeggen dat de Kleine-Voertuig-traditie van de Dai de Sthávira-vāda wordt genoemd, de Weg (vāda) van de Ouderen. André Bareau (Les Sectes Bouddhiques du Pt Véhicule) heeft niet meer dan één pagina over de Sthávira uit India en de streken langs de Zijderoute, en baseert zich op de schaarse berichten van Xuanzang, Ijing (spreek: ii-djìng) en latere soetras. Zouden de Yünnan palmblad-geschriften vertaald worden, dan wordt waarschijnlijk meer duidelijk over deze stroming, althans die Chinese tak.

Hasegawa Kiyoshi heeft aan het begin van de negentiger jaren van de 20ste eeuw veldwerk verricht onder de Tai Lue, en heeft het een en ander opgemerkt over het daar beleefde boeddhisme.
Hij schrijft dat de Dai of Tai Lue hun tempel vat noemen. Dat is bijna hetzelfde als het Thaise wat, letterlijk "school", figuurlijk "tempelcomplex". Ook andere woorden behorend tot het boeddhisme in die streek, zoals het woord phi (geest, spirit) komen uit het Thais.

In het jaar 2003 heeft de Chinese regering besloten het kaligraferen op palmblad als cultureel erfgoed te gaan stimuleren. Op dat moment begonnen doorheen de Xishuangbanna-prefectuur (of Sipsong Panná) in Yünnan 577 tempels met die werkzaamheden. Samen bezitten ze meer dan 50.000 kopieën van de Palmblad-soetras zoals de Kleine Voertuig-canon van de Sthávira daar wordt genoemd.

Op 21 september 1886 houdt de koning van Siam een toespraak ter ere van zijn verjaardag, en meldt dan dat de provincie die dan door Alfred de Pouvourville ("L'Affaire de Siam - 1886-1896", p.9) Sibsongchuthaï wordt genoemd Siamees (Thais) grondgebied is, ondanks de aanwezigheid van opstandelingen.

Rond het jaar 2003 hebben zich Srilankaanse theravāda-monniken in Yünnan gevestigd, en dit kan (mede) een opleving veroorzaakt hebben van belangstelling voor palmblad-manuscripten die ook in Sri Lanka worden vereerd, en van tijd tot tijd worden gecopieerd zodra ze van ouderdom uit elkaar dreigen te vallen.

De Birmese seniormonnik Sóbhita, die ook wel Pinlon sayadaw werd genoemd, is op 22 november 2009 op de leeftijd van 78 jaar overleden.
Hij is 57 jaar monnik geweest. Sóbhita thero (t.. = ouderling) is erg actief geweest in het promoten van het Tai, dat in Birma ook wel het Shan wordt genoemd. Hij presideerde 40 jaar over het examencomité in de Shan-staat waar het Tai gesproken en geschreven wordt. Hij is een van de twee monniken geweest die de theravāda-canon in het Tai heeft vertaald.





MANUSCRIPTEN

Afbeelding: voorbeeld van houten blok voor het drukken van manuscripten
Herdruk Dazangjin
In oktober 2006 werd geschreven over het herdrukken van de complete chinese canon, 7240 boeken dik. Wat in herdruk het licht zal zien is een collectie genaamd de Dazangjin (da dzang djien) die onder de Qing Dynastie tussen de jaren 1735 en 1738 het licht zag. De voorzitter van de Cultural Relics Publishing House verwachtte dat het herdrukken van de hele verzameling, in 99 oplagen, vier tot vijf jaar zou gaan duren. "Het papier dat hiervoor gebruikt zal gaan worden is een uniek product uit de streek Jingxian, behorend tot de oostchinese Anhui-provincie, zei hij. Het papier raakte bekend als Xuanzhou, en werd befaamd als een product dat uitstekend geschikt is voor caligraferen." Specialisten zeggen dat er driehonderd stadia zijn in het maken van dit papier. Voor de druk wordt gebruik gemaakt van de oude drukblokken; daarvan "zijn er 79.000 die samen ongeveer 480 ton wegen."
"Algemeen manager mevrouw Wang vertelde dat een aantal series van deze canon geschonken zou gaan gaan worden aan tempels doorheen het land, en dat het herdrukken plaats vindt in een dorp nabij Beijing, in het Daxing-district."



Manuscripten van Dunhuang
In de tweede week van november 2005 hadden reporters van www.chinaview.cn een gesprek met Ma De, directeur van de Dunhuang Academy. Ma vroeg extra aandacht voor de in de bibliotheekgrot van de Mogao-grotten te Dunhuang gevonden drukwerken, de zogenaamde engravings. Naspeuringen hebben tot nu toe 235 van zulke blokken gevonden, verspreid over musea en bibliotheken in tien landen.
Aan deze blokken is tot nu toe te weinig aandacht besteed, vertelde Ma, maar de Academy is sinds 2002 bezig die achterstand in onderzoek in te halen. Onder de zeer weinigen die over het onderwerp gepubliceerd hebben is Junichi Kikutake die een publicatie het licht heeft doen zien onder de naam Fragments of Dunhuang Painting in the Collection of the British Museum. Deze publicatie is echter slechts een inleiding, zegt hij.

De eerste blokken die in de grotten gevonden zijn dateren uit het begin van de Tang Dynastie (618 - 907), en de kunst bereikte haar hoogtepunt onder de Song (960 - 1279).

Het verslag in China View geeft enige aanvullende informatie over de stand van boeddhisme in de overgangsperiode tussen de Tang en de Song. In die tijd werd de regio meestentijds geregeerd door de Cao-familie die aan het hoofd stond van het Guiyi-leger.
Cao Yijin, zegt de krant, die dat leger in 924 overnam, zag boeddhisme als een "heilige kracht", en was van mening dat het ontwikkelen van devotie naar de Mededogende noodzakelijk was om wet en orde te handhaven. Gedurende de 800 jaar daarvoor was boeddhisme een beduidende levensovertuiging in de Gansu-streek geweest.

Met het wijzingen van het politiek-religieuze evenwicht langs de Zijderoute - zo er ooit al sprake is geweest van evenwicht langs de Zijderoute - kwam er na die tijd een wijziging in de situatie.



Restauratieproject manuscripten
Op 10 mei 2005 was het de curatoren van de National Library of China vergund de noodklok te luiden over de staat van 16.000 volumes manuscripten die worden bewaard in de Dunhuang surviving works. Ze hebben onmiddellijke reparatie nodig, zegt People's Daily Online op die dag, met name een 5000 meter lange tekst.
De NLC heeft echter maar 10 specialisten op dit gebied, en natiewijd zijn er niet meer dan 100 die dit werk aan kunnen. Zou de staf van de NLC de taak alleen moeten opknappen, zo werd gezegd, dan zouden ze ieder binnen de kortste keren 100.000 antieke bladen moeten repareren.
Een van de volumes die de NLC in bewaring heeft is de Zhao Cheng Golden Collection, een boeddhistische tekst die tijdens de Kin (Qin) Dynastie, in 1949, naar Beijing werd gebracht. Meer dan de helft van de manuscripten die in die dagen de NLC bereikten waren echter verrot of kapot, en het duurde 17 jaar voor alles was gerestaureerd.
In 1990 begon een groot reparatieproject, maar in de daaropvolgende 15 jaar werd nog slechts de helft van de manuscripten gerestaureerd.



Antieke tibetaanse manuscripten gevonden
Gansu Daily meldde op 20 mei 2006 dat in Dunhuang, in de Mogao-grotten, een bundel tibetaanse boeddhistische manuscripten is gevonden. Het uiterst sumiere verslag vermeldt niet waar ze gevonden zijn, maar zegt dat het hier gaat om manuscripten die in de antieke schrijfwijze van Tibet geschreven of gedrukt zijn.
Er wordt voorts gezegd dat het geschriften zijn die door Xuanzang, een befaamd monnik die leefde tijdens de Tang-dynastie werden vertaald. Dat maakt de vondst ca. 1300 jaar oud.
De manuscripten zijn inmiddels in handen van de International Dunhuang Study-group, en zullen een belangrijk deel gaan uitmaken van research naar Tibet's geschiedenis.



Voortgang restauratie oude boeken
Het restaureren van een 10.000 meter lange collectie boeken, opgerold in dikke pakken en afkomstig uit de Dunhuang-grotten, is halverwege. Dit meldde het nationale persbureau op 18 april 2006.
Werknemers van de Nationale Bibliotheek in Beijing menen dat er nog eens zes jaar nodig zijn om het werk helemaal gereed te krijgen. De helft van alle zeldzame en antieke boeken van China zijn opgeslagen in deze bibliotheek; de oudste ervan dateren uit het jaar 417nC. Een van de zwaar beschadigde documenten dat op dat moment onder handen was, was een tiende eeuws boeddhistisch manuscript.
Het verouderingsproces van het papier en andere tekstdragers baart de meeste zorgen; het materiaal verzuurt snel en de steeds slechter wordende kwaliteit van de lucht doet er geen goed aan.
Men kijkt nu naar conserverings-technieken die in andere landen gebruikt worden.
Een van de plannen is een "nationaal multi-disciplinair laboratorium voor de bescherming van antieke boeken" te bouwen.





Kaishu schrift aangeboden als Unesco Werelderfgoed
december 2008
Het schrift dat vandaag wordt gebruikt in chinese kranten en boeken is niet meer dat van voor de culturele revolutie. Het is in 1956 sterk vereenvoudigd. Alleen Taiwan, Hong Kong en Macau gebruiken nog de oude schrijfwijze; op het vasteland verschijnt sindsdien alles in het vereenvoudigde lettertype.
Taiwan heeft nu plannen gereed om de Unesco te vragen het oude schrift op de Wereld Erfgoed-lijst te plaatsen. Men hoopt zo de oude schrijfwijze levend te houden, en daarmee oude literatuur leesbaar.


Het initiatief werd door commentatoren op een van de taiwanese kranten-sites met enthousiasme begroet. Er werd aan herinnerd dat het vereenvoudigen van het schrift een bewuste poging is geweest om mensen ervan te weerhouden oude literatuur tot zich te nemen die de culturele revolutie-generatie niet zinde. De commentatoren hopen dat dit cultuurgoed bewaard zal blijven.

Moet aan toegevoegd worden dat de boeddhistische literatuur zoals deze vanuit Taiwan en Hong Kong wordt verspreid nog steeds in het vroegere kaishu-schrift is gedrukt. Zie daarvoor de afbeelding op www.ancientscripts.com/chinese.html. De burgerbevolking die in de tempels de verschillende diensten bijwonen zijn in die gebieden over het algemeen goed in staat de tekst te volgen. Dat is anders met tempel-bezoekers op het vasteland.

Om helemaal volledig te zijn moet er ook aan herinnerd worden dat de jongste taalwijzigingen begonnen als de aanloop naar de zogenoemde Vierde Mei-opstand. De "Literaire Revolutie" die voorafging aan 4 mei 1919 ging over de discrepantie tussen het geschreven en gesproken woord. De literati van die dagen gebruikten een literaire 'taal', het wen yen, terwijl men elkaar in het dagelijks leven aansprak in een gesproken 'taal', het pai hua. De bevolking in het algemeen was niet in staat de wat verheven woordkeus van het wen yen te volgen. De student Hu Shih, in 1917 zesentwintig jaar oud, zou in marxistische kringen nog een rol zou gaan spelen. Diep betrokken bij de literaire beweging in China meende hij dat er een taalvernieuwing moest komen, want het wen-yen was een "dode taal" (als het Grieks en Latijn). Hu Shih meende dat "een dode taal geen nieuwe literatuur kan voortbrengen."(1) Vanaf 1920 gebruiken dan nagenoeg alle schrijvers het pai hua, zeg maar, nette straattaal.

(1) Lucien Bianco, Origings or the Chinese Revolution, 1915-1949, 1971, pp.32-33.





Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.nl
www.buddha-dharma.nl is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme